Instantie: Rechtbank Zutphen, 8 december 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn 12 jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind van
13 jaar oud. De man stelt dat de vrouw gelet op haar eigen inkomen geen
behoefte heeft aan een bijdrage in levensonderhoud. Ten aanzien van de
behoefte overweegt de rechtbank het volgende: leeftijd van de vrouw (45
jaar), inkomen ƒ 1600,= (netto per maand; ww-uitkering; duur tweeeneenhalf
jaar), zorg voor minderjarig kind; tijdens het huwelijk hadden beide
partijen inkomen uit arbeid, waardoor de welstand tijdens huwelijk, welke
de indicatie vormt voor de behoefte van de vrouw, werd bepaald. De door
de man te betalen kinderbijdrage blijft voor de bepaling van de behoefte
buiten beschouwing. Op grond van het vorenstaande heeft de vrouw behoefte
aan de door haar verzochte bijdrage. Alimentatie wordt ƒ 130,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 8
juli 1994; -het exploit van betekening van 20 juli 1994; -het
verweerschrift, ingekomen ter griffie op 31 augustus 1994; -de
tussenbeschikking van deze rechtbank van 7 september 1994; -de brief met
bijlage(n) van mr. Van Duijvenbode van 2 september en 10 oktober 1994; -de
brief met bijlagen van mr. Gaaf van 12 oktober 1994; -het proces-verbaal
van de behandeling ter terechtzitting op 26 oktober 1994.

De vaststaande feiten:

Partijen, Nederlanders, zijn op 24 maart 1972 te Nunspeet met elkaar
gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit dit huwelijk is geboren
het thans nog minderjarige kind: * geboren te op .

Het verzoek:

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking voor zoveel mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad: -tussen partijen de echtscheiding uit te
spreken, -haar te benoemen tot voogdes en de man tot toeziend voogd over
het minderjarige kind van partijen en aan de man een bedrag van ƒ 350,=
per maand op te leggen als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige, -de man te veroordelen om aan haar voor
haar levensonderhoud te betalen een bedrag van ƒ 650,= per maand bij
vooruitbetaling te voldoen, -partijen te gelasten over te gaan tot
verdeling van de gemeenschap waarin zij zijn gehuwd met benoeming van een
notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet.

Zij stelt naast hetgeen hierboven als vaststaand is weergegeven dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en dat zij en de minderjarige
behoefte hebben aan de gevraagde bijdragen. Uit de stellingen van de vrouw
begrijpt de rechtbank dat de vrouw ook stelt dat de man voldoende
draagkracht heeft om de verzochte bijdragen te betalen.

Het verweer:

De man voert geen verweer tegen de gevraagde echtscheiding, de
veroordeling van partijen over te gaan tot verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap en de voorgestelde gezagsvoorziening. Ter
zitting heeft de man ingestemd met de verzochte bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarige van ƒ 350,= per maand.

Ten aanzien van de door de vrouw voor zichzelf gevraagde bijdrage in de
kosten van haar levensonderhoud stelt de man dat de vrouw gelet op haar
eigen inkomen aan die bijdrage geen behoefte heeft. Verder voert de man
aan dat hij geen ruimte heeft om een bijdrage aan de vrouw te betalen.

De beoordeling:

Nu de man niet betwist dat het huwelijk met de vrouw duurzaam is
ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De met de hoofdvoorziening samenhangende nevenvoorziening tot verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap is eveneens voor toewijzing vatbaar,
nu daartegen geen verweer is gevoerd.

De man voert evenmin verweer tegen de door de vrouw voorgestelde
gezagsvoorziening over het minderjarige kind van partijen.

De minderjarige en de Raad voor de Kinderbescherming in dit arrondissement
zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening over de gezagsvoorziening aan
de rechtbank kenbaar te maken.

De rechtbank acht de door de vrouw voorgestelde regeling in het belang van
de minderjarige, zodat als volgt wordt beslist.

Nu de man instemt met de door de vrouw verzochte bijdrage voor het kind
is dit verzoek eveneens voor toewijzing vatbaar.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van de vrouw aan de door
haar gevraagde alimentatie-uitkering en over de draagkracht van de man.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw overweegt de rechtbank het
volgende.

De vrouw is thans 45 jaar oud. Sedert maart 1994 heeft zij een
werkloosheidsuitkering van ƒ 1.961,= bruto, ƒ 1.600,= netto per maand.
Deze uitkering ontvangt zij vanaf maart 1994 gedurende tweeenhalf jaar.
Zij heeft de zorg voor het minderjarige kind van partijen. Tijdens het
huwelijk hadden beide partijen een inkomen uit arbeid, waardoor de
welstand tijdens huwelijk, welke de indicatie vormt voor de behoefte van
de vrouw, werd bepaald.

De bijdrage voor de minderjarige van ƒ 350,= per maand dient naar het
oordeel van de rechtbank geheel ten behoeve van het kind te worden besteed
en blijft aldus voor de bepaling van de behoefte van de vrouw buiten
beschouwing. De vrouw woont in de echtelijke woning en betaalt ingevolge
afspraak met de man de helft van de lasten van deze woning, zijnde ƒ
393,69 per maand.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw
behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage.

Ter berekening van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank het
volgende:

Blijkens de door de man overgelegde salarisspecificaties over de maanden
juli, augustus en september 1994 bedraagt zijn gemiddeld netto
maandinkomen ƒ 2.510,= te vermeerderen met 5% vakantiegeld. Daarnaast
ontvangt de man maandelijks een belaste toelage van netto ƒ 90,= voor
werken op ongebruikelijke tijdstippen en garantie ambulantenregeling,
alsmede een onbelaste variabele vergoeding voor gebruik eigen fiets van
ƒ 0,17 per kilo-meter en verblijfkosten ambulante werknemers. De rechtbank
zal wel met de eerstgenoemde vergoeding van ƒ 90,= netto per maand als
inkomsten van de man rekenen, doch niet met de laatstgenoemde vergoeding,
omdat daar reele kosten van de man tegenover staan.

Verder gaat de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande
van ƒ 1.311,29 per maand en van de volgende door de vrouw niet betwiste
maandelijkse lasten: -de helft van de lasten van de echtelijke woning,
zijnde ƒ 393,68. -f 250,= aan aflossing op een doorlopend krediet dat bij
de Postbank voor herinrichting is afgesloten.

De man heeft een maandelijkse huur van ƒ 595,= opgevoerd. Nu in dit bedrag
ook de kosten voor gas, water en licht zijn begrepen, rekent de rechtbank
met een in redelijkheid vast te stellen kale huur van ƒ 470,= te
verminderen met de gemiddelde landelijke huur van ƒ 335,42 per maand.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de man opgevoerde
wervingskosten van ƒ 85,= per maand, nu niet aannemelijk is geworden dat
de man deze kosten maakt.

Van de draagkracht is 70%, of ƒ 445,= per maand beschikbaar voor
alimentatiebetaling. Na aftrek van de kinderalimentatie van ƒ 350,= per
maand heeft de man ruimte om met ƒ 130,= per maand bij te dragen in de
kosten van het levensonderhoud van de vrouw, waarbij het door de man te
behalen belastingvoordeel aan de vrouw is toegerekend.

Het nevenverzoek om deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
is -met uitzondering van de gezagsvoorziening en de
alimentatieveroordeling- niet op de wet gebaseerd en wordt derhalve
afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze, omdat
zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man op met elkaar
gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan
de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 130,=
(eenhonderdendertig gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling te
voldoen.

Bepaalt dat deze alimentatie voor het eerst van rechtswege zal worden
verhoogd met ingang van 1 januari 1996 met het ingaande dat jaar geldende
wettelijke indexeringspercentage.

Verklaart de beschikking voor wat betreft de alimentatieveroordeling
uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt de echtelieden om, nadat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar over te
gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien de echtelieden niet binnen 14 dagen na inschrijving van
deze beschikking daaromtrent anders zijn overeengekomen, notaris mr.
M.W.G. Overbeeke ter standplaats Elburg, tot de notaris ten overstaan van
wie de werkzaamheden van verdeling zullen plaatshebben op de door de
notaris te bepalen plaats en tijd.

Benoemt als onzijdige personen mr. A.P. Kruijff, advocaat te Nunspeet, om
de vrouw en mr. A.M. Bruin, advocaat te Wezep, gemeente Oldebroek, om de
man als bewindvoerder op de voet van artikel 3:181 Burgerlijke Wetboek te
vertegenwoordigen indien een van hen in gebreke blijft op de voor die
verdeling bepaalde plaats en tijd te verschijnen, of verschenen zijnde,
mocht weigeren aan de verdeling mee te werken.

Benoemt over het minderjarige kind: geboren te op tot voogdes: de
vrouw, wonende en tot toeziend voogd: de man, wonende te .

Beveelt dat de minderjarige, indien zij zich niet reeds bevindt in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zal worden
afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij begint, als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige aan
de vrouw zal betalen ƒ 350,= (driehonderdenvijftig gulden) per maand, voor
de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Bepaalt dat deze alimentatie voor het eerst van rechtswege zal worden
verhoogd met ingang van 1 januari 1996 met het ingaande dat jaar geldende
wettelijke indexeringspercentage.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over het gezag
over genoemde minderjarige en de voor die minderjarige te betalen
alimentatie uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten laste van
de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij deze
beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

Mr. Heessels