Instantie: Kantonrechter Leeuwarden, 20 juni 1994

Instantie

Kantonrechter Leeuwarden

Samenvatting


H was sedert 1970 bij Wiersma’s rechtsvoorganger in dienst. Nadat deze in
1992 de zaak heeft overgenomen zijn de arbeidsverhoudingen verstoord. Wiersma
c.s. hebben hun stellingen geheel niet onderbouwd. Het ter zitting gedane
aanbod om de meegekomen twee collegae van H als getuige te doen horen, acht
de kantonrechter tardief. Nu vaststaat dat de arbeidsverhouding onherstelbaar
is verstoord, is ontbinding op zijn plaats. Daarbij komt aan werknemer,
behalve een vergoeding van ƒ 100.000 voor materiële schade en een vergoeding
van ƒ 10.000 aan immateriële schade toe, omdat de werkgever de werknemer
heeft bestookt met niet gefundeerde maar wel zeer grievende beschuldigingen,
waarbij de beschuldiging van seksuele intimidatie er slechts één van de acht
was. Ook heeft zij hem de werkhervattingen na zijn arbeidsongeschiktheid
onmogelijk gemaakt.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een materiële schadevergoeding van
ƒ 100.000 en een immateriële schadevergoeding van ƒ 10.000 aan de werknemer.

Volledige tekst

(…)
Overwegingen

2. Motivering

2.1. W exploiteert een planten- en tuincentrum te H.
2.2. H, die is geboren op 26 mei 1953, is op 10 augustus 1970 voor onbepaalde
tijd voor de volledige werkweek in dienst getreden van de rechtsvoorganger
van W. W heeft het planten- en tuincentrum op 24 februari 1992 van deze
rechtsvoorganger overgenomen, waardoor H bij W in dienst is gekomen. H heeft
de functie van bedrijfsleider. Zijn loon bedraagt ƒ 3.480,60 bruto per maand.
2.3. Naast de beide vennoten van de vennootschap onder firma en H werken in
het bedrijf twee werkneemsters.
2.4. H is op 10 februari 1993 wegens ziekte uitgevallen van zijn werk. Vanaf
oktober 1993 heeft hij het werk geleidelijk hervat. Vanaf 15 maart 1994 is
hij weer volledig arbeidsgeschikt voor het verrichten van zijn werk. Met
ingang van deze datum is hij op non-actief gesteld.
2.5. Aan zijn verzoek heeft W ten grondslag gelegd dat sprake is van een
verandering in de omstandigheden, die een gewichtige reden oplevert. De
verandering in de omstandigheden is naar het oordeel van W gelegen in slechte
samenwerking tussen H enerzijds en de beide vennoten en de twee werkneemsters
anderzijds, in een weinig coöperatieve opstelling van H, in
handtastelijkheden van H tegenover de twee werkneemsters, in een weigering
van H zogenoemd bloemwerk te verrichten, in onnodig lang praten van H met
klanten en vertegenwoordigers, in het bewerkstelligen dat een goede klant van
W, N T te N, niet langer zaken met W wenste te doen, in het zwart maken van
zijn collegae bij klanten en in zijn slechte financiële positie. Ten bewijze
van laatstgenoemde verandering in de omstandigheden heeft de gemachtigde van
W ter zitting stukken in het geding gebracht, die zijn opgesteld door een
accountant-administratieconsulent.
2.6. H heeft de stellingen van W gemotiveerd weersproken. Hij heeft bij
verweerschrift onder meer overlegd een verklaring van de rechtsvoorganger van
W, een rapport van 8 maart 1994 van de arbeidsdeskundige mevrouw R van de
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) en een verklaring van het hoofd
tuindienst van N T. Kort voor de zitting heeft H drie verklaringen van
vrouwelijke ex-collegae in het geding gebracht.
2.7. Hoewel (de gemachtigde van) H niet de gelegenheid heeft gehad de pas ter
zitting overgelegde stukken ten aanzien van de financiële positie van W
grondig te bestuderen, acht de kantonrechter het op grond van deze stukken
aannemelijk, dat deze positie niet florissant. Daaruit volgt echter niet
zonder meer dat het aantal personeelsleden moet worden gereduceerd en al
helemaal niet, dat de arbeidsovereenkomst met juist H, die een veel langer
dienstverband dan het overige personeel, dient te worden ontbonden.
2.8. Een aantal van de verwijten die H maakt met betrekking tot zijn
functioneren is terug te voeren tot de stelling dat H, die onder de
rechtsvoorganger van W een grote mate van vrijheid had, zich slecht kon
aanpassen aan de nieuwe situatie, die inhield dat niet hij, maar de beide
vennoten van W in het bedrijf de scepter zwaaiden. De kantonrechter kan in
het midden laten of deze stelling juist is, aangezien uit het rapport van de
arbeidsdeskundige mevrouw R van de GMD, die contact heeft gehad met beide
partijen en zich heeft ingespannen om volledige werkhervatting door H
mogelijk te maken, blijkt dat W niet bereid was zich te houden aan de
afspraak dat beide partijen hun visie op de taken en verantwoordelijkheden
van H op schrift zouden zetten, teneinde te komen tot goede afspraken
daaromtrent. Nu W niet bereid is gebleken mee te werken aan het maken van
goede afspraken, kan hij H op dit punt geen verwijt maken.
2.9. Uit de door H in het geding gebrachte verklaringen van de
rechtsvoorganger van W, van het hoofd tuindienst van N T en van drie
ex-collegae van H komt het beeld naar voren van een werknemer met hart voor
de zaak, die goede contacten onderhoudt met collegae en klanten.
Daartegenover heeft W zijn stellingen in het geheel niet onderbouwd. Het ter
zitting gedane aanbod de beider collegae van H als getuige te doen horen,
acht de kantonrechter tardief. Gelet op het ontbreken van enige onderbouwing
op de met stukken ondersteunde betwisting door H houdt de kantonrechter de
stellingen van W voor onjuist.
2.10. Tussen partijen staat vast dat tussen hen geen samenwerking meer
mogelijk is. De onherstelbare verstoring van de verhouding tussen partijen
levert een verandering in de omstandigheden op, die ontbinding op een
arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.
2.11. Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, volgt dat de kantonrechter van
oordeel is dat in het geheel niet aan H kan worden verweten, dat de
arbeidsovereenkomst ontbonden moet worden. Waar H geen verwijt kan worden
gemaakt, treft W een zwaar verwijt. Hij heeft H door zijn opstelling met
betrekking tot de werkhervatting van H na diens ziekte het goed functioneren
onmogelijk gemaakt en hij heeft H bestookt met volstrekt niet onderbouwde
maar wel zeer grievende beschuldigingen, waarvan die van de
handtastelijkheden tegenover de vrouwelijke collegae de meest grievende is.
2.12. Nu H geen verwijt treft, zou reeds op grond van de lengte van zijn
dienstverband en hoogte van zijn loon een vergoeding van ruim ƒ 80.000,=
bruto, bestemd als aanvulling op de door H te ontvangen uitkeringen terzake
van werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid, althans op elders te verdienen
lager loon, gerechtvaardigd zijn. Gelet op het feit dat W een ernstig verwijt
moet worden gemaakt, is de kantonrechter van oordeel dat de door H gevraagde
vergoeding van ƒ 100.000,= bruto en ƒ 10.000,= netto terzake van vergoeding
van immateriële schade, zelfs wanneer daarbij de niet rooskleurige financiële
positie van W in aanmerking wordt genomen, alleszins redelijk is. Van
immateriële schade is gelet op het grievende karakter van de beschuldigingen
ter sprake.
2.13. Gelet op de hoogte van de vergoeding dient aan W de gelegenheid te
worden geboden het verzoek in te trekken. Voor het geval W intrekt, kan het
zelfstandige verzoek van H worden ingewilligd; aan H behoeft, nu de door hem
gevraagde vergoeding wordt toegekend, niet de gelegenheid te worden gegeven
het verzoek in te trekken.
2.14. Er is aanleiding te bepalen dat elke partij de eigen kosten draagt.

3. Beschikkende

De kantonrechter:
Stelt partijen in kennis van zijn voornemen de arbeidsovereenkomst tussen hen
te ontbinden met ingang van 1 juli 1994 onder toekenning aan H van een
vergoeding van
ƒ 100.000,= bruto en ƒ 10.000,= netto terzake van vergoeding van immateriële
schade;
Stelt W tot 30 juni 1994 in de gelegenheid zijn verzoek in te trekken;
Ontbindt – indien W zijn verzoek niet (tijdig) intrekt op zijn verzoek en in
het geval W zijn verzoek wel intrekt op verzoek van H – de
arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 1994, zulks onder
toekenning van een vergoeding aan H ten laste van W van ineens te betalen
bedragen van ƒ 100.000,= bruto, strekkende tot suppletie van de door H te
ontvangen werkloosheid- dan wel arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dan wel het
elders te verdienen lager loon tot het laatstverdiend loon, en ƒ 10.000,=
netto terzake van vergoeding van immateriële schade, en wel aldus, dat,
indien een van verzoekers/verweerders betaalt, de ander daarvan is
vrijgesteld;
Compenseert de kosten van deze procedure aldus, dat iedere partij de eigen
kosten draagt;
Wijst af hetgeen anders of meer is verzocht.

Rechters

Mr. van Houten