Instantie: Arrondissementsrechtbank Zutphen, 11 februari 1994

Instantie

Arrondissementsrechtbank Zutphen

Samenvatting

Zes verdachten stonden in de Eper-incestzaak terecht. De vader, de moeder
en de ex-man van aangeefster J. in de tweede Eper-zaak wegens
babymoorden, gewelddadige abortussen, gepleegd tijdens of na
zwangerschappen van J. en haar zusje E. De drie andere
verdachten, de broers RvZ en GvZ en de 56-jarige AH stonden terecht wegens
hun aandeel in de abortussen en het doen verdwijnen van de baby’s, en
wegens seksueel geweld tegen J.. De twee broers staan tevens terecht
wegens seksueel misbruik van de toen zeer jonge kinderen van J. en
E.. Al direct bij de aanvang van de zitting van de Rechtbank Zutphen
verklaarde de officier van justitie onvoldoende bewijs te hebben voor de
babymoorden. Voor de broers was het de eerste Eper-zaak. In juli staan zij
terecht in hun tweede Eper-zaak wegens seksueel misbruik van andere
kinderen, onder wie die van AH, die dan ook weer terechtstaat.

Volledige tekst

Beoordeling van de vraag of het tenlastegelegde door de verdachte is
begaan:

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde Het feit onder 2 primair
tenlastegelegde ziet blijkens de kennelijke bedoeling van de steller van
de tenlastelegging op de door J. bedoelde zwangerschap en bevalling
van haar door haar ‘P.’ genoemd kind. Uit de medische gegevens blijkt
dat een zwangerschap van tenminste 24 weken in de tenlastegelegde periode
— in/omstreeks 1989 — uitgesloten is. Uit hoofde van het bepaalde in
artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht kan dan ook geen sprake zijn
van een kind of vrucht, die naar redelijkerwijs verwacht mocht worden in
staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven. Derhalve is het
onder 2 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De
subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde afbreking van zwangerschap
respectievelijk zware mishandeling zijn evenmin wettig en overtuigend
bewezen. Op basis van de medische gegevens is het niet waarschijnlijk dat
J. in 1989 zwanger is geweest van een in haar aangifte en nadere
verklaringen bedoelde, namelijk voor haar als kind herkenbare, vrucht. De
deskundige, gynaecoloog dr. Bruinse, concludeert dat een zwangerschap van
ten hoogste 22-23 weken in de periode medio juli 1989 niet absoluut
onmogelijk is. Hij gaat er daarbij vanuit dat J. zwanger is geworden
ondanks het een of meermalen toedienen van de prikpil en voorts dat
huisartsen en gynaecologen bij herhaling deze mogelijke — steeds verder
gevorderde — zwangerschap over het hoofd hebben gezien. Een en ander
biedt geen enkele basis voor het wettig en overtuigend bewijs dat J.
zwanger is geweest zoals door haar bedoeld. Het vorenoverwogene impliceert
dat het meest subsidiair tenlastegelegde feit evenmin wettig en
overtuigend is bewezen. Dit brengt met zich dat verdachte van al hetgeen
haar onder 2 tenlastegelegde, moet worden vrijgesproken.

Beroep op onrechtmatig verkregen bewijs Door de verdediging is — zakelijk
weergegeven — aangevoerd dat een aantal verklaringen niet kan meewerken
tot het bewijs, omdat verdachte en als verdachten gehoorde mededaders
onder een steeds toenemende druk tot bekennende verklaringen zijn gekomen
over feiten die alleen al uit medisch oogpunt uitgesloten moeten worden
geacht, waarbij onder meer is verwezen naar het rapport van prof. dr.
Wagenaar en dr. Soppe. Al het belastende materiaal wat door middel van
ontoelaatbare verhoormethoden of -technieken direct of indirect op papier
is gekomen is onrechtmatig verkregen en mag derhalve naar het oordeel van
de verdediging niet worden gebruikt voor het bewijs. Het beroep op
onrechtmatig verkregen bewijs wordt verworpen. Uit het onderzoek ter
terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat op verdachte en haar ook
als verdachten aangemerkte mededaders een zodanige druk is uitgeoefend dat
verklaringen zijn verkregen, waarvan niet gezegd kan worden dat deze in
vrijheid zijn afgelegd. Verdachte en een van zijn mededaders hebben reeds
in de beginfase van het onderzoek — kort na aanvang van hun voorlopige
detentie — bekennende verklaringen afgelegd over sex met kinderen en
verkrachtingen (in groepsverband), bij welke verklaringen tijdens de
verdere loop van het onderzoek is volhard. Dit klemt temeer nu verdachte
reeds voor hij als verdachte werd gehoord, in zijn hoedanigheid van
getuige voor zichzelf en anderen belastende verklaringen heeft afgelegd
en daarbij vervolgens als verdachte uitdrukkelijk heeft volhard.

Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en
overtuigend bewezen dat de verdachte de volgende feiten heeft begaan:

1. hij op verschillende tijdstippen …, in … de periode van 1
januari 1989 tot en met 31 juli 1990 in de Gemeente Elburg …, tezamen
en in vereniging met … anderen, … (telkens) door geweld en/of
bedreiging met geweld een vrouw, te weten JvB, heeft gedwongen met
verdachte en/of … zijn mededader(s) buiten echt vleselijke gemeenschap
te hebben, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) hierin
bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) bij JvB, die —
gedurende aanzienlijke tijd … stelselmatig op grove …of
gewelddadige wijze … seksueel was misbruikt en/of wist of vreesde dat
verzet (tegen het hebben van die vleselijke gemeenschap) geweld tot gevolg
zou hebben — tengevolge daarvan amper of niet in staat was zich tegen
verdachte en/of zijn mededader(s) adequaat te verzetten, (telkens)
hebben/heeft aangedrongen op vleselijke gemeenschap met hen/hem en daarmee
haar (geestelijk) verzet hebben/heeft gebroken, en/of dat verdachte en/of
zijn mededader(s) … JvB (telkens) met een koord … hebben/heeft
gewurgd, … totdat zij …nagenoeg flauwviel en/of JvB (telkens) al
dan niet op een bed hebben/heeft vastgebonden en/of JvB (telkens)
stroomstoten hebben/heeft toegediend en/of JvB (telkens) hebben/heeft
vastgehouden en/of geslagen en/of geschopt.

2. verdachte in of omstreeks het jaar 1989, althans in of omstreeks het
tijdvak van 18 augustus 1988 tot en met 31 juli 1990, in de gemeente
Elburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een
ander, dan wel alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade een uit
J. geboren kind, of vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mocht
worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven, vlak na
de geboorte van het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft hij,
verdachte, samen en in vereniging met zijn mededader(s) of alleen,
….. hij in of omstreeks het haar 1989, althans in of omstreeks het
tijdvak van 18 augustus 1988 tot en met juli 1990, in gemeente Elburg
en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een
ander, althans alleen, nadat er toen daar de moord of doodslag op een pas
uit J. geboren kind of de afbreking van zwangerschap bij J. was
gepleegd, althans nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om
dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten
of te bemoeilijken, het voorwerp waarop dat misdrijf was gepleegd of
andere sporen van dat misdrijf heeft vernietigd en/of weggemaakt en/of
verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of
politie onttrekken, immers heeft verdachte toen daar tezamen en in
vereniging met die ander(en), of alleen, opzettelijk het lijk van dat kind
of de afgedreven vrucht van die zwangerschap in een zak gestopt en/of per
auto weggevoerd en/of begraven;

3. hij op verschillende tijdstippen … in de periode van 1 januari 1989
tot 1 oktober 1990 te Elburg … (telkens) met PS, geboren op 8 juni
1987, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten
echt, … ontuchtige handelingen heeft gepleegd …, bestaande die
ontuchtige handeling(en) (telkens) hierin dat verdachte (telkens)
opzettelijk ontuchtig het geslachtsdeel van deze PS heeft betast en/of
deze PS heeft gevingerd, althans een vinger in het geslachtsdeel van deze
PS heeft gebracht en/of zijn geslachtsdeel in de nabijheid van het
geslachtsdeel van deze PS heeft gebracht; … 4. hij in de periode van
1 januari 19890 tot 1 oktober 1990 te Elburg … met DS, geboren 3 maart
1986, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten
echt, … ontuchtige handelingen heeft gepleegd … bestaande die
ontuchtige handeling(en) hierin dat verdachte opzettelijk ontuchtig zijn
geslachtsdeel in de anus van deze DS heeft geduwd of gebracht en/of een
vinger in de anus van deze DS heeft geduwd of gebracht;

5. hij op verschillende tijdstippen … in … de periode van 22
februari 1988 tot 31 december 1990 in de Gemeente Epe … (telkens) met
AN, geboren op 25 april 1985, die toen de leeftijd van zestien jaren nog
niet had bereikt, buiten echt, … ontuchtige handelingen heeft
gepleegd, bestaande die ontuchtige handeling(en) (telkens) hierin dat
verdachte (telkens) opzettelijk ontuchtig het geslachtsdeel en/of de anus
van deze AN heeft gevingerd, althans een vinger in het geslachtsdeel en/of
de anus van deze AN heeft gebracht en/of zijn geslachtsdeel tegen of in
de nabijheid van het geslachtsdeel en/of de anus van deze AN heeft
gebracht; Wat meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor
bewezenverklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De
verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven
omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de
volgende bewijsmiddelen zijn vervat (waarbij de bewijsmiddelen slechts
zijn gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud
betrekking hebben): volgen verklaringen afgelegd door de verdachten als
bekentenissen en tegen elkaar; de verklaringen van J. en E., ook
als aangeefsters van het seksueel misbruik van hun kinderen. Tevens
verklaringen van buurvrouw van J. (red.) (…)
een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal BPS-nummer 93- 000423,
PV-nummer 9304271500, gesloten en ondertekend op 27 april 1993 door P.J.H.
Bosman en J. Faber, respectievelijk wachtmeester der rijkspolitie eerste
klasse te Elburg en hoofdagent van gemeentepolitie te Epe, beiden
tijdelijk ingedeeld bij het rechercheteam ‘PLAK-TEAM’ van de regiopolitie
Noord-Oost Gelderland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als
op 27 april 1993 aan verbalisanten afgelegde verklaring van AvZ (dossier
I, p. 342 e.v.): Mijn man en ik zijn in september 1985 aan de Boeg 10 te
Elburg komen wonen. Volgens mij woonden JvB en haar man WS toen al aan de
Boeg 9. Twee maanden na de geboorte van het eerste kind van J. en WS
genaamd D. kreeg ik kennis aan J.. Dat contact bestond uit over
en weer koffie drinken en af en toe samen de stad in gaan. Het contact lag
af en toe stil. Eind 1989/begin 1990 vertelde J. mij dat zij in haar
woning was verkracht door een dikke man, rijdende in een vierdeurs witte
Opel met het kenteken NN-??-NS. Dat is dezelfde man die zeker drie/vier
keer per week bij J. thuis kwam. Die man was in gezelschap van een
dikke vrouw, zoon en dochter en nog twee andere oudere kinderen. Het was
altijd een gezelschap van zeker zes personen. Die man bracht ook
regelmatig luiers mee voor de kinderen van J.. Volgens mij komen deze
mensen uit Vaassen. (…) een in de wettelijke vorm opgemaakt
proces-verbaal BPS-nummer 93-000423, PV-nummer 9304271500, gesloten en
ondertekend op 27 april 1993 door P.J.H. Bosman en J. Faber,
respectievelijk wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse te Elburg en
hoofdagent van gemeentepolitie te Epe, beiden tijdelijk ingedeeld bij het
rechercheteam ‘PLAK-TEAM’ van de regiopolitie Noord-Oost Gelderland, voor
zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als op 27 april 1993 aan
verbalisanten afgelegde verklaring van AvZ (dossier II, p. 146 e.v.): Mijn
man en ik zijn in september 1985 aan de Boeg 10 te Elburg komen wonen.
Volgens mij woonden JvB en haar man WS toen al aan de Boeg 9. Twee maanden
na de geboorte van het eerste kind van J. en WS genaamd D. kreeg
ik kennis aan Jolanda. Dat contact bestond uit over en weer koffie drinken
en af en toe samen de stad in gaan. Het contact lag af en toe stil. Toen
kwam de geboorte van P. Een paar maanden na de geboorte van
P. kreeg ik weer contact met J.. Na de geboorte van M.
vroeg WS aan mij of ik wilde oppassen omdat J. naar het ziekenhuis
te Zwolle moest. Ik heb daar toen een keer opgepast. Bij het verschonen
van de luier van P. zag ik, dat de vagina vuurrood was. Volgens mij
was dat geen luieruitslag. Ik heb dat later aan J. verteld. (…)
De bewezenverklaarde feiten leveren op de hierna te noemen misdrijven: –
feit 1 primair strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van
Strafrecht; – feit 3, 4 en 5 telkens strafbaar gesteld bij artikel 247 van
het Wetboek van Strafrecht. Op 1 december 1991 trad in werking de wet van
9 oktober 1991 houdende onder meer wijziging van artikel 247 van het
Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat met de
inwerkingtreding van deze wetswijziging niet is gebleken van een gewijzigd
inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de hierboven
bedoelde gedragingen — voor zover het de feiten 3, 4 en 5 betreft –,
zodat van een verandering in de wetgeving in de zin van artikel 1 van het
Wetboek van Strafrecht geen sprake is. Mitsdien wordt artikel 247 oud van
het Wetboek van Strafrecht toegepast. Er is geen omstandigheid aannemelijk
geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is
dus strafbaar. Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient
te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich vooreerst laten leiden door:
– de aard van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;
– de persoon van de verdachte. Bij de beslissing omtrent een eventuele
straf en maatregel die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft
de rechtbank in aanmerking genomen de inhoud van de rapporten, conclusies
en adviezen die omtrent de persoonlijkheid van de verdachte zijn
uitgebracht respectievelijk gegeven, alsmede de ernst van de begane
feiten, die in de maatschappij grote onrust en angst plegen teweeg te
brengen, nog afgezien van het concrete leed voor de direct betrokkenen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het
bijzonder gelet op: – een op naam van de verdachte staand uittreksel uit
het algemeen documentatieregister van de justitiele documentatiedienst te
Zutphen van 30 september 1993; – een over verdachte opgemaakt rapport van
het Pieter Baan Centrum te Utrecht van 7 januari 1994, opgesteld door
psycholoog Geraets en de psychiater Van Renesse. Met de beschouwingen en
de daarop gebaseerde conclusie neergelegd in het rapport van het Pieter
Baan Centrum van 7 januari 1994 (te weten: ‘dat onderzochte ten tijde van
het plegen van de hem tenlastegelegde feiten lijdende was aan een zodanige
gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten — indien
bewezen — hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden
toegerekend.’) kan de rechtbank zich verenigen, mede gelet op de indruk
die verdachte ter terechtzitting heeft gemaakt op de rechtbank. Uit de
beschouwingen van de onderzoekers komt — onder meer — naar voren dat
verdachte in zijn jeugd in ernstige mate affectief en pedagogisch is
verwaarloosd, terwijl naast deze gezinsfactoren vermoedelijk ook
aanlegfactoren een rol hebben gespeeld die hem in zijn verstandelijke
ontwikkeling hebben beperkt. Het gevolg van deze factoren is geweest dat
verdachte een ernstige basale persoonlijkheidsstoornis heeft verkregen,
zie kenmerkend door een gebrek aan basisvertrouwen, een bijna afwezige
gewetensfunctie, een onvermogen tot medeleven met anderen en een wankele,
onrijpe identiteit. Mogelijkheden tot interne spanningregulatie zijn
nauwelijks aanwezig, waardoor spanningen vrijwel zonder enige bezinning
worden uitgeleefd. Verdachte is nauwelijks in staat om alleen te
functioneren en behoeft continu steun en structuur van derden. Er is
sprake van een ernstige ontwikkelingspsychopathie bij een zwakbegaafde,
wilszwakke man die rucksichtlos uitvoert wat hem door groepspressie of
‘meerderen’ wordt opgedragen, mede in de hoop om dan ‘voor vol’ te worden
aangezien en in de hoop ‘erbij te horen’. Aan dergelijke groepspressie kan
verdachte zich niet of nauwelijks onttrekken. Al sinds de vroege puberteit
zijn bij verdachte seksuele aberraties te onderkennen, die deels hun
oorsprong vinden in de schaamteloze gezinscultuur waar instrumentele sex
door moeder en sommige broers geetaleerd werd zonder enig respect voor de
autonomie van de ander. Hij onderhoudt pedofiele contacten met pre-
puberale kinderen, tot wie hij zich op grond van zijn eigen onrijpe
identiteit emotioneel en seksueel aangetrokken voelt en bij wie hij zich
machtig weet, waarmee hij zijn gebrekkige zelfgevoel moet onderbouwen.
Daarnaast toont verdachte vanaf de puberteit polymorf perverse trekken,
ongetwijfeld samenhangend met de gezinscultuur waarin sex niet aan grenzen
gebonden was. Dit moet in samenhang met de vermelde
ontwikkelingspsychopathie als potentieel uiterst destructief worden
gewaardeerd. Het gevaar voor recidive wordt groot geacht indien betrokkene
geen behandeling ondergaat. Op grond hiervan wordt eensluidend geadviseerd
betrokkene de maatregel op te leggen van terbeschikkingstelling met
verpleging. De rechtbank neemt voormeld advies over en is van oordeel dat
— gelet op het feit dat de door verdachte onder 1 en onder 3, 4 en 5
begane bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke
omschrijving een gevangenisstraf van onderscheidenlijk ten hoogste twaalf
jaar en ten hoogste zes jaar is gesteld — een last tot de
terbeschikkingstelling van verdachte met bevel tot verpleging van
overheidswege dient te worden gegeven, aangezien de algemene veiligheid
van personen zulks bepaaldelijk vereist. De rechtbank is van oordeel dat
tevens een gevangenisstraf van hierna te melden duur op zijn plaats is.
Zij heeft daarbij in het bijzonder laten meewegen de ernst van de door
verdachte gepleegde feiten. Verdachte heeft door zijn handelwijze zeer
ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn
slachtoffers. Zo heeft hij samen met anderen zijn slachtoffer JvB
stelselmatig onderworpen aan extreme perversiteiten vergezeld van een of
andere vorm van weerzinwekkend geweld. Het behoeft geen betoog dat
verdachte dusdoende aanzienlijke psychische schade heeft toegebracht aan
JvB, mede gelet op de bevindingen van de psycholoog dr. Eurelings-Bontekoe
zoals verwoord in haar over J. uitgebrachte rapport van 22 november
1993. Daarnaast heeft verdachte verscheidene keren ontuchtige en
meedogenloze handelingen gepleegd met buitengewoon jonge kinderen, waarbij
het hem kennelijk louter en alleen ging om het bevredigen van zijn eigen
seksuele lusten zonder zich kennelijk op enig moment te laten weerhouden
door de schade die zijn handelen fysiek, maar met name psychisch,
veroorzaakte bij deze slachtoffertjes. De opgelegde straf en maatregel
zijn behalve op de hiervoor al vermelde artikelen gegrond op de artikelen
37a, 37b, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder
2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1
primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hierboven omschreven,
heeft begaan.

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte meer
of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en
spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

inzake het onder parketnummer 06/007672-93 bewezenverklaarde:

feit 1 primair

medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd;

feit 3 met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige
handelingen plegen, meermalen gepleegd;

feit 4 met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige
handelingen plegen, meermalen gepleegd;

inzake het onder parketnummer 06/7672-93 A bewezenverklaarde:

feit 5 met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige
handelingen plegen meermalen gepleegd.

Zij verklaart de verdachte terzake van het bewezenverklaarde strafbaar.

Zij veroordeelt hem voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf
voor de tijd van twee jaar.

Zij beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging
van deze uitspraak in verzekerig en in voorlopige hechtenis is
doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in
mindering wordt gebracht.

Zij gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat
hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Rechters

Mrs. De Visser, De Bie, Wesseling-Lubberink