Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 8 november 1993

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het hof bekrachtigt de beslissing van Rechtbank Utrecht. Een
homoseksuele relatie wordt onder de reikwijdte van art. 1:160 BW gebracht
en daarmee beschouwd als een relatie `als waren zij gehuwd’. Ook al
ontbreekt in deze situatie een wettelijke onderhoudsplicht en is er geen
mogelijkheid om deze onderhoudsplicht door middel van een huwelijk te
scheppen. Zie ook: Rb Assen 29 september 1992, RN 1993, 346 en Rb Utrecht
13 januari 1993, RN 1993, 347, m.nt. Jet Tigchelaar.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De vrouw is in hoger beroep gekomen van een beschikking van …. 1993
van de rechtbank te Utrecht, rekestnummer …

1.2. De man heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is op …juli 1993 behandeld door de daartoe aangewezen
raadsheer-commissaris.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Partijen zijn in 1973 gehuwd. Het huwelijk is in 1990 ontbonden. Uit
het huwelijk zijn geboren X 1975, Y 1978 en Z 1985. Bij beschikking is
de vrouw benoemd tot voogdes over de kinderen en is de door de man te
betalen bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding bepaald op
ƒ 350,- per kind per maand.

2.2. De vrouw heeft bij inleidend verzoek de rechtbank verzocht te
bepalen dat de man een uitkering van ƒ 2.000,- per maand tot haar
levensonderhoud zal betalen, een en ander met ingang van 1 mei 1992,
althans met ingang van de datum van indiening van haar inleidend
verzoekschrift * 14 september 1992 * of meer subsidiair met ingang van
een zodanige datum en op een zodanig bedrag als de rechtbank juist zou
achten.

2.3. De man heeft verweer gevoerd primair met de stelling dat de vrouw
samenleeft met een andere vrouw en dat dit samenleven is te beschouwen
als een samenleven in de zin van artikel 160, boek 1 BW.

2.4. In geschil is de afwijzing van het inleidend verzoek van de vrouw
bij de beschikking waarvan beroep. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld
dat het primaire verweer van de man slaagt en dat in dit geval de
alimentatieverplichting van de man op grond van het bepaalde in artikel
160, Boek 1 BW is geeindigd.

2.5. De vrouw verzoekt haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

2.6. De man verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.7. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij leeft samen met een vriendin en vormt met haar en de kinderen van
partijen een gezin. De vrouw heeft geen eigen inkomsten. Aan bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen ontvangt zij van
de man ƒ 350,- per kind per maand, te vermeerderen met de wettelijke
indexering per 1 januari 1993.

Haar vriendin heeft een volledige baan. Haar inkomen bedraagt rond (…)
netto per maand. Daarnaast ontvangt zij vakantiegeld. De premie van
de ziektekostenverzekering voor de vrouw en de kinderen wordt door haar
vriendin betaald.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Aan artikel 160, Boek 1 BW ligt, blijkens de wetsgeschiedenis ten
grondslag de maatschappelijke opvatting dat door het enkele feit van een
nieuw huwelijk een ander in de plaats is gekomen van de vroegere
echtgenoot en dat die ander voortaan de plicht heeft de
alimentatiegerechtigde het nodige te verschaffen. Bij amendement heeft
de wetgever het samenleven van de alimentatiegerechtigde met een ander
`als waren zij gehuwd’ gelijkgesteld met een huwelijk. In verband met dit
laatste zijn volgens de toen geldende maatschappelijke opvatting niet
gelijkgesteld samenwonenden van hetzelfde geslacht, omdat er niet zonder
meer van mocht worden uitgegaan dat zij die als zodanig in concubinaat
samenwoonden verplicht waren elkaar het nodige te verschaffen, noch zich
feitelijk hadden te gedragen alsof die verplichting daartoe bestond.

Thans dient de vraag beantwoord te worden of de rechtbank terecht heeft
beslist dat de maatschappelijke opvatting ten aanzien van het samenwonen
van paren van hetzelfde geslacht zodanig is gewijzigd dat in de
omstandigheden van het geval het in concubinaat samenwonen van de vrouw
met een partner van hetzelfde geslacht valt onder de omschrijving
`samenleven als waren zij gehuwd’ van artikel 160, Boek 1 BW.

3.2. In de huidige maatschappij, die tal van samenlevingsvormen kent, is
het wenselijk de regelgeving zo in te richten dat het geheel van rechten
en plichten voor elke leefvorm in evenwicht is. In de publiekrechtelijke
sfeer, vooral op het gebied van de sociale zekerheid en de
belastingwetgeving, wordt veelal geen onderscheid meer gemaakt tussen
enerzijds gehuwden en samenwonenden van verschillend geslacht en
anderzijds samenwonenden van hetzelfde geslacht als het gaat om hun
verzorgingsplicht jegens elkaar. Ook samenwonenden van hetzelfde geslacht
kiezen bewust om duurzaam met elkaar samen te leven en elkaar het nodige
te verschaffen en gedragen zich naar de buitenwereld ook als zodanig. Hun
lotsverbondenheid verschilt op dat gebied niet van de lotsverbondenheid
van samenwonenden van verschillend geslacht juridisch in de
rechtsgevolgen met betrekking tot de onderhoudsverplichting van een
vroegere echtgenoot tot uitdrukking wordt gebracht in die zin dat de
alimentatieverplichting van die vroegere echtgenoot vervalt, dit evenzeer
van toepassing is op samenwonenden van hetzelfde geslacht.

3.3. Nu vaststaat dat de vrouw met haar vriendin een vaste duurzame
relatie heeft en dat zij wederzijds de zorg voor elkaar op zich hebben
genomen, dient op grond van het bepaalde in artikel 160, Boek 1 BW aan
de verplichting van de man om in het levensonderhoud van de vrouw te
voorzien een einde te komen.

3.4. De enkele omstandigheid dat samenwonenden van hetzelfde geslacht
niet voor een huwelijk kunnen kiezen doet hieraan niet af, nu het hier
gaat om twee samenlevingsvormen die in materieel opzicht niet van elkaar
verschillen.

3.5. De beslissing van de rechtbank op dit punt was dus juist. Dit leidt
tot de volgende beslissing.

4. Beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere
partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Willems-Morsink, Verspyck Mijnssen, Poell