Instantie: Rechtbank Amsterdam, 3 november 1993

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres is van haar veertiende tot haar zestiende jaar regelmatig
verkracht door haar huisarts. Deze huisarts had een speciale band met het
gezin waarin eiseres opgroeide. Eiseres is ten gevolge van haar trauma’s
onder psychiatrische behandeling gekomen. De huisarts is na een klacht
door het Medisch Tuchtcollege berispt. Eis is ƒ 150.000,=
schadevergoeding. Er heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden.
De arts heeft hier niet willen getuigen en deed een beroep op zijn
verschoningsrecht. De rechter wees dit -ook in hoger beroep- af, zodat hij
alsnog als getuige gehoord zou moeten worden.

Uiteindelijk wordt eiseres slechts ƒ 5.000,= immateriele
schadevergoeding toegekend. De liefdesbrieven in combinatie met de andere
bewijzen hebben niet tot een andere beslissing geleid.

Volledige tekst

Verloop van de procedure.

Bij conclusie van eis, met bewijsstukken, heeft E. gesteld overeenkomstig
de inleidende dagvaarding en haar bij dagvaarding ingestelde vordering –
onder aanvulling van de grondslag – vermeerderd.

Bij conclusie van antwoord, met bewijsstukken, heeft K. de vordering
bestreden.

Bij conclusies van repliek en dupliek, beide met bewijsstukken, hebben
partijen vervolgens hun standpunten nader toegelicht en daarbij volhard.

Vervolgens heeft E. zich nog bij akte over de door K. overgelegde
produkties uitgelaten.

Daarna hebben partijen de zaak doen bepleiten, E. door haar procureur en
K. door mr A.G. Bos-Tammes, advocaat te Bilthoven, beiden aan de hand van
nadien door hen overgelegde pleitnotities, K. met daaraan gehecht een
bewijsstuk. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt
dat bij de stukken is gevoegd.

Tenslotte hebben partijen stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.
Daaronder bevinden zich de processen-verbaal van de in deze zaak voor deze
rechtbank op 14 april 1989, 5 september 1990 en 25 februari 1991 onder
rekestnummer H 89.0275 in tegenwoordigheid van beide partijen gehouden
voorlopige getuigenverhoren.

Gronden van de beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van
overgelegde bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

a. in 1956 is K. de huisarts geworden van het gezin E., waarmee hij
vanwege gezinsproblemen zeer veel bemoeienis heeft gehad en waarvan E.,
geboren op 10 april 1957, deel uitmaakte. Na het overlijden van een van
haar broers kreeg E. last van verschillende kwalen waarvoor zij K.
veelvuldig op zijn spreekuur heeft geraadpleegd;

b. tot 1 maart 1977 heeft E. bij K. als patient ingeschreven gestaan;

c. K. heeft aan E. een brief geschreven, waarvan de bijbehorende enveloppe
is afgestempeld op 6 juli 1973, luidende als volgt:

“Liefste E.,

Vandaag dinsdag 3 juli, heb ik je brief ontvangen. Een ontzettend leuke
brief, en het valt me op dat je een verdomd leuke stijl van schrijven
hebt. Het moet erg imponerend zijn voor iemand die nooit in de bergen is
geweest, eindelijk eens de bergen niet alleen te zien, maar ook vanuit de
bergen naar beneden te kijken. Je voelt dan ook hoe klein en nietig je
bent, hoe je verlangt naar diegene waar je van houdt. Je wilt hem laten
zien en meegenieten, hoe je geniet. Die gevoelens ken ik heel goed,
liefste, en ook, hoe je, op vakantie, ver van me weg, naar me verlangt.
Ik mis je hier enorm, iedereen is nu zo’n beetje met vakantie, daardoor
is het rustig, weinig mensen, niet veel te doen, vroeg klaar, en, het is
hier nog steeds mooi weer en erg warm. Ik zou nu wel met je uit gekund
hebben, zelfs ondanks dat ik iedere dag naar het Lucas moet om te keuren.

Begin je al lekker bruin te worden? Ik heb je gezegd dat je erg moet
oppassen, op jezelf, en van de jongens af blijven, en hoop echt, dat je
dat ook doet. In het begin gaat dat wel, maar hoe, als je daar al weer een
tijdje zit, en wat langer met een klein groepje optrekt. Je raakt dan wat
meer aan elkaar gehecht, en gaat dan misschien toch iemand wel erg aardig
vinden. Dan komt het erop aan hoe sterk je bent, en hoeveel je van me
houdt.

Toch, toch maak ik me geen zorgen, weet je, zeker na zo’n lieve brief als
jij mij schreef. Denk in ieder geval dat ik erg aan je denk en met je mee
leef en doe maar net of ik toch bij je ben. Dan geniet je dubbel, en
schrijf intussen weer vlug naar me, zodat ik op de hoogte blijf van je
vakantie. Ik zie erg uit naar je volgende brief. Maar meer nog naar je
zelf. Hoop dat je gezond, blij en bruin terug komt en dat je net zo naar
me verlangt als ik naar jou. Zodra je terug bent, bel je me op, he, dat
is vast afgesproken! Als ik me niet vergis kom je op 24/7 terug, want ik
meen dat je zei dat je drie weken wegging. Hele lieve E., ik heb je brief
direct beantwoord, want de post doet er van en naar Joegoslavie tamelijk
lang over, daarom wil ik deze brief meteen op de post doen. Heel veel
kusjes, heel veel plezier en ook, last but not least, heel veel sterkte,
daar alleen, in gedachten met zijn tweeen.

Jouw He Hans. Je krijgt ieder avond een kusje op hoofd en je blauwe ogen.
Kom je gauw.”

2. Na eisvermeerdering vordert E. de veroordeling van K. tot betaling aan
haar van primair een bedrag van ƒ 150.000,= en subsidiair een nader bij
staat op te maken bedrag aan materiele en/of immateriele schadevergoeding,
in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november
1988 tot aan de dag der algehele voldoening en met zijn veroordeling in
de proceskosten.

3. Met betrekking tot het primair gevorderde stelt zij dat K. onrechtmatig
jegens haar heeft gehandeld door -toen zij in de periode van 1971 tot en
met 1974 zijn spreekuur met hoofdzakelijk psychosomatische klachten
bezocht welke werden veroorzaakt door een moeilijke gezinssituatie en door
het overlijden van een van haar broers als hiervoor onder 1a. vastgesteld-
haar zonder noodzaak en zonder dit te registreren grote hoeveelheden
kalmerende middelen en slaapmiddelen voor te schrijven, met als gevolg dat
zij hieraan verslaafd is geraakt en door haar in de periode van 31 januari
1972 tot en met 1974 -voor het eerst op 14-jarige leeftijd- regelmatig
seksueel te misbruiken, waardoor zij in grote psychische nood is geraakt.

Zij stelt als gevolg van genoemd onrechtmatig handelen immateriele schade
tot een bedrag van ƒ 150.000,= te hebben geleden.

4. K. ontkent gemotiveerd aan E. grote hoeveelheden kalmerende middelen
en medicijnen te hebben voorgeschreven als ook haar seksueel te hebben
misbruikt.

5. Als getuige heeft E. -op wie de bewijslast van haar stellingen rust-
ter gelegenheid van de gehouden voorlopige getuigenverhoren het door haar
gestelde onder ede bevestigd en nader toegelicht.

De eveneens in voorlopig verhoor gehoorde getuige S., destijds als
conrector verbonden aan de school die E. toen bezocht, heeft verklaard dat
hij tijdens een bezoek aan haar thuis in haar kamer “een la vol
medicijnen” heeft gezien en dat zij hem heeft verteld dat zij grote
hoeveelheden medicijnen gebruikte en, later, dat zij was gedwongen seksuele
gemeenschap met haar huisarts te hebben. Ook Y., een voormalig klasgenote
van E., vermeldt in een door E. in het geding gebrachte schriftelijke
verklaring, gedateerd 21 mei 1988, dat zich in een bureaulade in E.’s
slaapkamer een abnormaal grote hoeveelheid medicijnen in
apothekersverpakking bevond waarvan E. regelmatig gebruik maakte en dat
E. vaak enigszins afwezig, depressief en niet te bereiken was. Dit laatste
wordt ook bevestigd door E.’s broer W. in een in het geding gebrachte
schriftelijke verklaring, gedateerd 18 mei 1988.

Verder vermeldt een schriftelijke verklaring van drs. W. Bezemer,
psycholoog te Maarssen, gedateerd 12 april 1988, welke verklaring Bezemer
op 24 mei 1988 ten overstaan van het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam,
waar E. met betrekking tot dezelfde feiten een tegen K. gericht
klaagschrift had ingediend, heeft herhaald en nader toegelicht, dat E.
haar heeft verteld over haar vroegere medicijnverslaving en over seksueel
misbruik door K.

Ook P.G. Knook, huisarts te Amsterdam, vermeldt in een door hem aan de
procureur van E. gerichte brief, gedateerd 8 april 1988, dat E. hem in
de loop van 1987 heeft verteld dat zij jarenlang tegen haar wil een
seksuele relatie met haar vorige huisarts heeft gehad.

6. De verklaring van E. die -nu zij partijgetuige is- slechts bewijs in
haar voordeel kan opleveren voor zover deze verklaring strekt ter
aanvulling van onvolledig bewijs, vindt onvoldoende steun in de hiervoor
weergegeven getuigenverklaringen.

Weliswaar hebben de getuige S. en Y.-laatstgenoemde is niet onder ede als
getuige gehoord- verklaard grote hoeveelheden medicijnen in een la op E.’s
kamer te hebben gezien, doch zij hebben niet kunnen bevestigen dat K. deze
medicijnen ook zonder noodzaak en zonder registratie aan E. had
voorgeschreven, zoals door E. is gesteld.

De stellingen van E. worden evenmin in voldoende mate bevestigd door het
overigens door de getuige S. verklaarde en door de hiervoor genoemde
schriftelijke verklaring van W. Bezemer en de, eveneens hiervoor genoemde,
brief van P.G. Knoop. Nog daargelaten dat beide laatstgenoemden niet onder
ede als getuigen zijn gehoord, ontlenen deze getuigen hun informatie
immers slechts aan mededelingen van E. zelf.

Dit wordt niet anders doordat genoemde Bezemer heeft verklaard dat E.’s
verklaringen over haar medicijngebruik en het seksuele misbruik door K.
altijd congruent en niet met elkaar in tegenspraak zijn geweest en dat
haar gedrag geheel in overeenstemming is met de wijze waarop slachtoffers
van seksueel misbruik omgaan met hun traumata.

Evenmin legt de verklaring van de getuige M. voldoende gewicht in de
schaal. Deze getuige heeft weliswaar verklaard dat K. jegens haar
handtastelijk is geweest -hetgeen V. deels bevestigt in een door E. in het
geding gebrachte (ongedateerde) brief van haar aan procureur van E. -doch
zij heeft niet kunnen bevestigen dat (ook) E. door K.- seksueel is
misbruikt.

Anders dan E. meent is in de omstandigheden van het geval onvoldoende
aanleiding -ook na verwerping door deze rechtbank bij beschikking van 27
juni 1989 van het beroep van K. op een hem toekomend verschoningsrecht,
voor zover het betreft vragen omtrent de feitelijke grondslagen van de
vordering van E., en de bekrachtiging van deze beschikking door het
Gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 21 december 1989- om uit
weigering van K. om terzake een getuigenverklaring af te leggen met
betrekking tot de vraag of het van E. te verlangen bewijs is geleverd voor
hem nadelige gevolgtrekkingen te maken.

Voor toewijzing van de primaire vordering is dan ook geen plaats.

7. Met betrekking tot het subsidiair gevorderde stelt E. dat K.
onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door -zeer onprofessioneel- ten
opzichte van haar volstrekt buiten zijn rol van huisarts te treden door
in haar jeugd een zeer exclusieve relatie met haar aan te gaan waarbij
door hem initiatieven werden genomen en directieven werden gegeven. Zij
wijst daarbij op de hiervoor onder 1.c. aangehaalde brief van K. aan haar.

8. K. bestrijdt ook de juistheid van dit verwijt. Genoemde brief was
-aldus K.- door hem geschreven in antwoord op een brief van E. waarin zij
hem nadrukkelijk had verzocht te antwoorden. De brief was bedoeld als een
vaderlijke waarschuwing aan E. zich niet teveel met jongens in te laten
en geschreven in een periode waarin de opvatting opgang deed dat artsen
hun patienten met minder distantie moesten benaderen. Wel geeft hij toe
dat de brief achteraf gezien niet erg gelukkig is gesteld.

9. De rechtbank is met E. van oordeel dat K. jegens haar zeer
onprofessioneel heeft gehandeld en dat hij ten opzichte van haar volstrekt
buiten zijn rol van huisarts is getreden. Hij had te maken met een jong
meisje dat door gezinsomstandigheden uiterst kwetsbaar was en als gevolg
daarvan zeer gemakkelijk in een positie van afhankelijkheid kon gerakan
van personen die zich daartoe leenden. Van K. had mogen worden verwacht
dat hij zich ter voorkoming van een zodanige positie zou hebben gehouden
aan zijn professionele rol van huisarts en vertrouwenspersoon, weliswaar
maximaal beschikbaar maar met behoud van de vereiste distantie. Hij heeft
echter juist tegenovergesteld gehandeld door met E. een relatie aan te
gaan die in ieder geval zeer exclusief moet worden genoemd en waarbij door
hem initiatieven werden genomen en directieven werden gegeven. Dat daarvan
sprake is geweest blijkt onomstotelijk uit de door hem gebruikte
terminologie in verschillende passages van zijn hiervoor onder 1.c.
genoemde brief aan E.

Door aldus onrechtmatig jegens E. te handelen is K. in beginsel
aansprakelijk voor de daaruit voor haar voortgevloeide schade.

10. E. vordert vergoeding van materiele en immateriele schade.

Waar zij echter de volgens haar opgetreden materiele schade in geen enkel
opzicht heeft toegelicht noch anderszins is gebleken dat zij als gevolg
van het hiervoor onder 9. genoemde onrechtmatig handelen van K. zodanige
schade heeft geleden, is het gevorderde in zoverre niet toewijsbaar.

11. Met betrekking tot de door haar gevorderde vergoeding van immateriele
schade overweegt de rechtbank het volgende. Het is aannemelijk dat E., die
ten tijde van het onrechtmatig handelen van K. 16 jaar oud was en in een
kwetsbare positie verkeerde, door dit handelen van haar huisarts en
vertrouwenspersoon in grote verwarring is gebracht en mede daardoor in
haar ontwikkeling is geschaad. Gelet op deze omstandigheden stelt de
rechtbank, rekening houdend met alle overige omstandigheden van het geval,
de voor haar daaruit voortvloeiende immateriele schade naar billijkheid
vast op een bedrag van ƒ 5.000,=.

Gelet op de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding ziet de rechtbank
geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van K. om het door hem aan E.
te betalen bedrag te mogen storten op een geblokkeerde rekening.

12. Waar partijen over en weer (gedeeltelijk) in het ongelijk zijn gesteld
zullen de kosten van het geding als volgt worden verrekend.

Beslissing:

De rechtbank:

-veroordeelt K. tot betaling aan E. van een bedrag van ƒ 5.000,=
(vijfduizend gulden) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
24 november 1988 tot aan de dag der algehele voldoening;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-verrekent de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

-wijst het meer of ander gevorderde af.

Rechters

Mrs. Van Imhoff, voorzitter, Laurentius-Kooter en Van der Nat