Instantie: Rechtbank Arnhem, 21 oktober 1993

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Gedaagde, de vader, heeft eiseres, zijn dochter seksueel misbruikt.
De dochter vordert ƒ 20.000,= smartegeld en ƒ 10.00,= materiele
schadevergoeding bestaande uit het verschil tussen haar salaris en de
uitkering die zij nu ontvangt.

De vader doet een beroep op verminderde toerekeningsvatbaarheid. De
Rechtbank stelt vast dat door de vader onzorguldig is gehandeld jegens de
dochter. De Rechtbank kent de dochter ƒ 12.500,= in materiele en ƒ
7.500,= materiele schadevergoeding toe.

Volledige tekst

Wederom gehoord partijen;

Wederom gezien de stukken, waaronder thans een afschrift van het
tussenvonnis van 12 november 1992;

Het verdere verloop van de procedure

Ingevolge opgemeld tussenvonnis heeft op 26 januari 1993 een comparitie
van partijen plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt
zich bij de stukken. Na rolverwijzing (waaraan is gehecht het nader
uitgewerkte proces-verbaal van de comparitie van partijen) hebben beide
partijen geconcludeerd na comparitie. Tenslotte hebben partijen de stukken
wederom overgelegd en vonnis gevraagd.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. De rechtbank neemt over en volhardt bij hetgeen in opgemeld
tussenvonnis is overwogen en beslist.

2. In het tussenvonnis van 12 november 1992 is onder meer overwogen dat
reeds de door gedaagde erkende gedragingen als ernstig onzorgvuldig
handelen jegens eiseres moeten worden aangemerkt.

Eiseres heeft afgezien van het bewijs dat zij nog op andere wijze en
gedurende een langere periode door gedaagde seksueel is misbruikt, omdat
haar zuster Y., die daarover zou kunnen verklaren, dat niet wil.

3. Uit de ter comparitie overgelegde stukken van de GMD valt af te leiden
dat er een causaal verband bestaat tussen de huidige arbeidsongeschiktheid
van eiseres en het seksueel misbruik door gedaagde. Het is aan gedaagde het
tegendeel te bewijzen. De rechtbank begrijpt uit de conclusie na
comparitie van gedaagde dat hij van een nader deskundige-onderzoek om dit
te weerleggen, afziet zodat het causaal verband tussen de door eiseres
geleden en te lijden schade en het seksueel misbruik van gedaagde jegens
eiseres, in rechte vaststaat.

4. Het vorenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot
de slotsom dat de gevorderde immateriele en materiele schade (welke
laatste onbelast is) grotendeels toewijsbaar is. Naar redelijkheid zal een
bedrag van f.20.000,–, waarvan ƒ 12.500,– wegens immateriele schade en
ƒ 7.500,– wegens materiele schade worden toegewezen. De draagkracht van
gedaagde, die internationaal vrachtwagenchauffeur is, laat betaling
daarvan toe (verwezen wordt naar hetgeen daarover in het proces-verbaal
van de comparitie van partijen is vermeld) met dien verstande dat de
rechtbank zal bepalen dat in drie termijnen (een keer ƒ 10.000,– en twee
keer ƒ 5.000,–) zal worden betaald op de data als hierna te vermelden.

5. Anders dan gedaagde aanvoert is de rechtbank van oordeel dat gedaagde
de proceskosten moet betalen nu hij als de grotendeels in het ongelijk
gestelde partij is te beschouwen. Daaraan doet de familierelatie tussen
partijen niet af.

Rechtdoende

1. Veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van
kwijting te betalen de somma van ƒ 20.000,– op de volgende wijze: -f.
10.000,– uiterlijk 1 januari 1994,

– ƒ 5.000,– uiterlijk 1 januari 1995,

ƒ 5.000,– uiterlijk 1 januari 1996, vermeerder met de wettelijke rente
over de bedragen als voornoemd die gedaagde nalaat stipt op tijd te
voldoen.

2. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres tot
aan deze uitspraak begroot op ƒ 540,45 wegens verschotten en ƒ 2.485,–
salaris gemachtigde, waarvan te voldoen aan de griffier door overmaking
op giro 935462 t.n.v. de gerechten in het arrondissement Arnhem, ƒ
2.905,45 (ƒ 360,– wegens in debet gesteld griffierecht, ƒ 60,45
exploitkosten en ƒ 2.485,– salaris gemachtigde) en ƒ 120,– aan eiseres
wegens haar eigen bijdrage in het griffierecht.

3. Verklaart dit vonnis tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad.

4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Tussenvonnis:

12 november 1992

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, meervoudige kamer voor
de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van I, wonende te
Culemborg, eiseres bij dagvaarding van 28 oktober 1991, procureur mr. S.D.
Bouwes Bavinck-Van der Wal te Arnhem, advocaat mr. M.M. Klinkenbijl te
Utrecht, tegen J., wonende te Eck en Wiel, gemeente Maurik, gedaagde bij
genoemde dagvaarding, procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,
advocaat mr. A. van Ravenhorst-Boulogne te Utrecht.

De procedure

Eiseres, verder ook te noemen de dochter, heeft overeenkomstig de
dagvaarding geconcludeerd voor eis. Gedaagde, verder ook te noemen de
vader, heeft geantwoord. Daarna zijn de conclusies van repliek en dupliek
gewisseld. Gedaagde heeft op 24 maart onder nummer 92/14 stukken
gedeponeerd ter griffie van deze rechtbank. Tenslotte hebben beide
partijen een akte genomen. Daarop hebben de partijen de stukken, waaronder
produkties van beide zijden, overgelegd voor vonnis.

De vaststaande feiten

1.1 Eiseres, geboren op 14 maart 1967, is een dochter van gedaagde. Op 8
februari 1990 heeft zij bij de gemeentepolitie te Culemborg aangifte
gedaan van overtreding van artikel 244 en 249 van het Wetboek van
Strafrecht (Sr.) (het hebben van gemeenschap met een kind dat de leeftijd
van 12 jaar nog niet heeft bereikt, c.q. het plegen van ontucht met zijn
minderjarige kind) gepleegd door haar vader. De gemeentepolitie Culemborg
heeft op 13 februari 1990 proces-verbaal opgemaakt tegen de vader. Van dat
proces-verbaal maken deel uit de getuigenverklaringen afgelegd ten
overstaan van de rechter-commissaris in die strafzaak.

1.2 De strafzaak tegen de vader is geseponeerd.

1.3 Eiseres is vanaf 31 augustus 1989 arbeidsongeschikt en komt vanaf die
datum in aanmerking voor een ziektewet-, respectievelijk
WAO/AWW-uitkering.

1.4 Bij brief van 8 augustus 1991 is gedaagde namens eiseres gesommeerd
tot betaling van ƒ 30.000,- en is de wettelijke rente aangezegd per 16
augustus 1991.

Het geschil

2. Eiseres vordert de veroordeling van gedaagde tot betaling van een
bedrag van ƒ 30.000,- althans een bedrag als de rechtbank in goede
justitie zal vermenen vast te moeten stellen, vermeerderd met rente en
kosten. Zij voert daartoe aan dat haar vader haar in de periode van 1973
tot en met 1980 op grove wijze seksueel heeft misbruikt in de zin van
artikel 244 en 249 Wetboek van Strafrecht (Sr.). Zij stelt als gevolg
daarvan materiele schade te hebben geleden. Vanaf 31 augustus 1989 is zij
namelijk tengevolge van het onrechtmatige handelen van gedaagde
arbeidsongeschikt, waardoor zij arbeidsinkomen heeft gederfd. Zij begroot
die schade op ƒ 10.000,-, bestaande uit het verschil tussen haar salaris
en de ziektewet-, c.q. arbeidsongeschiktheidsuitkering die zij vanaf 31
augustus 1989 ontvangt. Daarnaast heeft eiseres, zoals volgens haar blijkt
uit een daartoe opgemaakt rapport van het RIAGG “Rivierenland”, reeds
lange tijd te kampen met psychische moeilijkheden en gederfde
levensvreugde, welke immateriele schade eiseres begroot op ƒ 20.000,-.

3. Gedaagde heeft de vordering gemotiveerd betwist.

Ten eerste voert hij aan dat hij alleen ontucht heeft gepleegd met eiseres
in de periode van 1978 tot eind 1979. Voor de overige door eiseres
gestelde periode wordt dit ontkend. Hij betwist ook dat hij met eiseres
ontuchtige handelingen heeft gepleegd van dien aard en omvang als zij
beweert. Voorts is hij van mening dat eiseres als zijn dochter geen
vordering op hem toekomt wegens onrechtmatig handelen.

Daarnaast betoogt gedaagde dat hij zich er niet van bewust is geweest dat
hij door ontuchtig te handelen met eiseres ook onrechtmatig jegens haar
handelde, terwijl hij nadat hij door zijn toenmalig echtgenote daarop was
aangesproken onmiddellijk hiermee is gestopt. Bovendien zou hem dit niet
te verwijten zijn omdat hij, blijkens daartoe in het kader van het
gerechtelijk vooronderzoek opgemaakte rapporten, ten tijde van het plegen
van de feiten in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar zou zijn.

Het verband tussen het gestelde handelen en de schade wordt betwist, omdat
dit onvoldoende zou blijken uit het volgens gedaagde partijdige
RIAGG-rapport.

De hoogte van de gevorderde materiele schade wordt voorts betwist, omdat
de vermindering in het maandelijkse inkomen van de dochter als gevolg van
de arbeidsongeschiktheid slechts ƒ 370,- netto zou bedragen, terwijl de
gevorderde immateriele schade te hoog is. Tenslotte meent de gedaagde dat
hij, gelet op zijn financiele toestand, de gevorderde schadevergoeding
niet kan betalen.

De beoordeling van het geschil

4. Gelet op het bepaalde in artikel 69 onder d Overgangswet nieuw
Burgerlijk Wetboek zal de vordering van eiseres worden beoordeeld naar het
voor 1 januari 1992 geldende recht nu deze is gegrond op de stelling dat
gedaagde aansprakelijk is voor schade welke voor die datum zou zijn
ontstaan.

5. Gedaagde heeft een deel van de door eiseres gestelde gedragingen
erkend, namelijk dat hij in de periode 1978 tot eind 1979 met eiseres,
zijn dochter die toen minderjarig was, ontucht heeft gepleegd. Reeds
daardoor staat vast dat gedaagde onzorgvuldig en in strijd met de wet
heeft gehandeld jegens eiseres. Nu dit handelen tevens omvat het in
artikel 249 Sr. omschreven delict (ontucht plegen met zijn minderjarige
kind) heeft gedaagde een misdrijf tegen de persoon van eiseres gepleegd,
zodat hij aansprakelijk is voor door haar geleden schade op de voet van
artikel 1407 lid 2 en 3 BW (oud).

6. Anders dan gedaagde betoogd zijn de door hem erkende gedragingen
dermate onzorgvuldig tegenover eiseres dat haar een vordering tegen haar
vader toekomt, omdat de door gedaagde erkende gedragingen ook jegens een
derde in ernstige mate onzorgvuldig zouden zijn geweest.

7. Het verweer van gedaagde, dat hij zich er niet van bewust is geweest
dat de ontuchtige handelingen met eiseres onrechtmatig waren en dat hij,
zodra zijn toenmalige echtgenote hem daarop aansprak, daarmee is gestopt,
kan niet serieus worden genomen.

8. Voor zover gedaagde bedoeld heeft, dat zijn handelingen hem niet ten
volle kunnen worden toegerekend omdat de psychiater J.M.J.F. Offermans en
de psychologe J.M.A. Branje in hun deskundigenrapporten tot de conclusie
komen, dat gedaagde ten tijde van het plegen van de hem ten lastegelegde
feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn
geestvermogens dat de feiten, indien bewezen, hem slechts in enigszins
verminderde mate kunnen worden toegerekend, verliest gedaagde uit het oog,
dat deze rapporten zijn opgemaakt met de bedoeling de strafrechtelijke
verwijtbaarheid van het handelen van gedaagde te beoordelen. Nu de
conclusie van het rapport van de psychiater J.M.J.F. Offermans vermeldt
dat gedaagde de ongeoorloofdheid van de feiten heeft kunnen inzien, volgt
hieruit integendeel juist dat de voor de civielrechtelijke
aansprakelijkheid benodigde verwijtbaarheid zonder meer aanwezig is.

Al hetgeen de partijen hebben betoogd met betrekking tot de vraag of op
deze rapporten in deze procedure acht geslagen kan worden, doet niet
terzake, nu de volledige rapporten in de loop van de procedure ter griffie
zijn gedeponeerd.

9. Voor zover gedaagde nog aanvoert dat de gehele opvoeding van eiseres
zodanig is geweest dat zij ook daarvan nadelige invloeden heeft
ondervonden, waarin het door hem gepleegde ontuchtige handelen slechts een
onderdeel vormt van de schadetoebrengende factoren, merkt de rechtbank op
dat dit hem, als het al zo zou zijn, evenmin ontslaat van zijn
aansprakelijkheid. Slechts bij de vaststelling van de hoogte van de
immateriele schadevergoeding kan dit een factor zijn.

10. Nu vaststaat dat in ieder geval door gedaagde jegens eiseres in
ernstige mate onzorgvuldig is gehandeld moet de vraag beantwoord worden
of het nodig is nader vast te stellen of gedaagde eiseres ook nog op
andere wijzen en gedurende een langere periode heeft misbruikt. De
rechtbank acht dit voorshands niet het geval. De feiten die vaststaan
vormen op zichzelf al een zeer ernstige inbreuk op de persoon van eiseres.
Als algemeen bekend kunnen dergelijke handelingen ernstige psychische
schade veroorzaken bij het slachtoffer. De rechtbank acht de gevorderde
immateriele schadevergoeding wat de erkende handelingen betreft in
belangrijke mate toewijsbaar. Tijdens de hierna te noemen comparitie kan
aan de orde worden gesteld of eiseres bereid en in staat is het bewijs te
leveren van de door gedaagde ontkende gedragingen.

11. Ten aanzien van de gevorderde materiele schade wordt het volgende
overwogen. Terecht is door gedaagde opgemerkt dat het door eiseres in het
geding gebrachte rapport van de RIAGG Rivierenland, opgemaakt door mw.
H.E.M.M. Holdrinet, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, niet
onpartijdig is. Gedaagde heeft weliswaar op zichzelf niet bestreden dat
eiseres lijdende is aan de daarin genoemde klachten, maar wel dat deze,
en de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid, een gevolg zijn van
hem verweten gedragingen. Het RIAGG-rapport geeft op deze punten geen
eenduidig antwoord, zodat de rechtbank nadere rapportage noodzakelijk
acht.

12. Daarover wenst de rechtbank nadere inlichtingen en zal een comparitie
van partijen worden gehouden. Indien eiseres beschikt over nadere
rapportage (van bijvoorbeeld de uitkeringsinstantie) die haar psychische
toestand en meer in het bijzonder haar arbeidsongeschiktheid in verband
kan brengen met het seksuele misbruik, wordt zij verzocht die uiterlijk
twee weken voor de comparitie aan de rechtbank en in afschrift aan de
wederpartij toe te zenden. Voor zover er geen nadere informatie over de
situatie van eiseres beschikbaar is, zal de mogelijkheid van een
deskundigerapportage worden besproken. Tijdens de comparitie zal eveneens
worden ingegaan op het door eiseres geleden en nog te lijden
inkomensverlies en op welke wijze (bruto/netto) dit moet worden berekend,
alsmede over welke periode. Gedaagde wordt verzocht recente gegevens met
betrekking tot zijn inkomen en lasten (bijvoorbeeld een recente
salarisstrook en de belastingaangifte c.q. -aanslag over 1991) over te
leggen.

De comparitie zal ook benut worden om na te gaan of de partijen tot een
schikking kunnen komen.

13. Hoger beroep zal worden beperkt als na te melden.

De beslissing

De rechtbank

1. Bepaalt dat de partijen in persoon vergezeld van hun raadslieden zullen
verschijnen in het gebouw van deze rechtbank te Arnhem, Walburgstraat 2,
om aan de hierbij tot rechter-commissaris benoemde rechter mr. J.A.Z.
Hooft Graafland inlichtingen over de zaak te geven en om deze te laten
onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens
kunnen worden, op een datum (een dinsdag) en tijdstip in onderling overleg
tussen de procureurs en de enquetegriffie op initiatief van de procureur
van eiseres vast te stellen binnen drie weken na de uitspraak van dit
vonnis;

2. verzoekttijdige toezending van de onder 12. bedoelde stukken;

3. bepaalt dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is dan tegelijk
met dat van het eindvonnnis;

4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mrs. J.A.Z. Hooft Graafland, M.L. Drabbe en M.J.M. de Vries