Instantie: Rechtbank Breda, 5 oktober 1993

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Zelfstandige onderneemsters die een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten hebben geen recht op
betaald zwangerschaps- en bevallingsverlof. De polis sluit
arbeidsongeschiktheid op grond van zwangerschap uit. Omdat partijen dit
zijn overeengekomen en eiseres daarmee de polisvoorwaarden heeft
geaccepteerd wordt haar vordering tot uitkering tengevolge van
zwangerschap en bevalling niet gehonoreerd. Beroep op artikel 11 lid 2
VN-Vrouwenverdrag wordt niet gehonoreerd omdat de rechtbank van mening
is dat artikel 11 geen rechtstreekse werking heeft.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonnis wijzing overgelegde
stukken: – de dagvaarding; – de conclusie van eis; – de conclusie van
antwoord, met produkties; – de conclusie van repliek, tevens akte
aanvulling grondslag eis, met produkties; – de conclusie van dupliek, met
produkties; – de akte, met 1 produktie, aan de zijde van eiseres; – de
antwoord nadere conclusie aan de zijde van gedaagde.

2. Het geschil.

J. vordert, voorzover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad,
a. een verklaring voor recht, dat artikel 12 lid f van de
polisvoorwaarden van een tussen haar en Interpolis gesloten
arbeidsongeschiktheidsverzekering, nietig is, althans vordert zij dat de
rechtbank de in dat artikel genoemde uitsluiting zal vernietigen; b.
veroordeling van Interpolis tot betaling van ƒ 13.475,= , vermeerderd
met een uitkering van ƒ 165,= per dag over het aantal dagen, dat de
bevalling later mocht plaatsvinden dan de uitgerekende bevallingsdatum,
zodra deze vorderingen opeisbaar zullen zijn, vermeerderd met rente; c.
veroordeling van Interpolis in de kosten van dit geding.

Interpolis voert verweer.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Door de processuele houding van partijen staat in ieder geval het
navolgende in rechte vast: * J, van beroep filmproducente, heeft met
ingang van 29 oktober 1990 met Interpolis een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. * Onderdeel van deze
overeenkomst is de bepaling van artikel 12 lid f van de polisvoorwaarden:
`Geen uitkering wordt verleend voor arbeidsongeschiktheid, welke is
ontstaan, bevorderd of verergerd door zwangerschap of bevalling, tenzij
hierbij complicaties optreden, in welk geval alleen recht op uitkering
bestaat bij volledige arbeidsongeschiktheid. Deze uitsluiting geldt
alleen voor rubriek A.’ Rubriek A betreft, gelet op artikel 1 van de
polisvoorwaarden, de dekking voor het eerstejaarsrisico, te weten
arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste 52 weken, waarover geen recht
op uitkering krachtens de AAW bestaat. * J is op 6 mei 1992 bevallen van
een dochter. De uitgerekende bevallingsdatum was 4 mei 1992. Zij verbleef
van 6 mei tot en met 13 mei 1992 in het Academisch Medisch Centrum te
Amsterdam.

3.2. Uitgangspunt voor de rechtbank is dat J en Interpolis de inhoud van
de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering onderling zijn
overeengekomen. Derhalve zijn zij ook overeengekomen dat geen uitkering
wordt verleend voor arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan, bevorderd
of verergerd door zwangerschap of bevalling, tenzij hierbij complicaties
optreden, in welk geval alleen recht op uitkering bestaat bij volledige
arbeidsongeschiktheid. J heeft de bij deze polisvoorwaarden behorende
premiebetaling geaccepteerd. Desalniettemin vordert J thans op grond van
de gesloten overeenkomst een uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid
tengevolge van zwangerschap en bevalling (in beginsel gedurende de gehele
periode van zwangerschapsverlof en bevallingsverlof van werkneemsters in
loondienst). Volgens J is de overeengekomen uitsluitingsgrond van artikel
12 f nietig, dan wel moet deze vernietigd worden, omdat Interpolis
hiermee een verboden onderscheid naar geslacht maakt. Immers, aldus J,
de verstoring van het evenwicht in de gezondheidstoestand van vrouwen
door zwangerschap en bevalling moet op een lijn gesteld worden met
ziekte. Uit deze ziekte vloeit arbeidsongeschiktheid voort, welke niet
mag worden uitgesloten.

3.3. J stelt dat de in artikel 12 f van de polis vervatte uitsluiting in
strijd is met artikel 1 van de Grondwet, luidende: `Allen die zich in
Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.
Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid,
ras, geslacht of welke grond dan ook, is niet toegestaan’. J stelt dat
het in artikel 1 Gw. neergelegde gelijkheidsbeginsel horizontale werking
heeft in de relatie tussen haar als verzekerde en Interpolis als
verzekeraar, omdat Interpolis een bepaalde monopoliepositie bezit
vergelijkbaar met die van de overheid. Deze rechtbank is van oordeel dat
artikel 1 Grondwet zich met name richt tot de wetgever en de regelgevende
en uitvoerende overheid. Het draagt de wetgever op om gelijke gevallen
gelijk te behandelen. Zeker mag geen onderscheid gemaakt worden op de in
de tweede zin van artikel 1 Gw. genoemde gronden. Hieruit volgt niet
zonder meer dat dit artikel zich richt op het gedrag van burgers. Bij de
grondwetsherziening van 1983 is niet bepaald dat artikel 1 ook zou dienen
te gelden in de rechtsverhoudingen tussen de burgers onderling. De
rechtbank deelt niet het standpunt van J dat Interpolis inzake de
verzekering van arbeidsongeschiktheid bij zwangerschap en bevalling door
een bepaalde monopoliepositie een met de overheid vergelijkbare taak
heeft. Immers de overheid heeft deze taak al aan zich getrokken door J
de wettelijke mogelijkheid te geven om zich tegen de gevolgen van
zwangerschap en bevalling te verzekeren, te weten als vrijwillig
verzekerde onder de Ziektewet. J kan zich, gelet op het bovenstaande,
niet rechtstreeks beroepen op artikel 1 Grondwet in haar rechtsverhouding
met Interpolis.

3.4. J acht het beding in strijd met artikel 11 lid 2 van het Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (New
York, 18 december 1979, in werking voor Nederland op 22 augustus 1991).
Artikel 11 lid 2 aanhef en onder b luidt: `Ten einde discriminatie van
vrouwen op grond van huwelijk of moederschap te voorkomen en het
daadwerkelijk recht van vrouwen op arbeid te verzekeren, nemen de Staten
die partij zijn bij dit Verdrag passende maatregelen om verlof wegens
bevalling in te voeren met behoud van loon of met vergelijkbare sociale
voorzieningen, zonder dat dit leidt tot verlies van de vroegere
werkkring, de behaalde ancienniteit of de hun toekomende sociale
uitkeringen’. De rechtbank is van oordeel dat voormeld artikel (slechts)
de Nederlandse overheid verplicht om passende maatregelen ter uitbanning
van discriminatie te nemen, derhalve om beschermende arbeidswetgeving en
sociale zekerheidswetgeving tot stand te brengen. Artikel 11 lid 2 van
het verdrag mist rechtstreekse werking. Ter ondersteuning van haar
stelling dat het verdrag doorwerkt in de overeenkomst tussen haar en
Interpolis beroept J zich op artikel 15 lid 3 van het verdrag. Dit
artikel luidt (met inachtneming van de gewijzigde tekst, zoals
gepubliceerd in Tractatenblad, jaargang 1991, nr. 134): `De Staten die
partij zijn bij dit Verdrag komen overeen dat iedere overeenkomst en
ieder ander particulier document van welke aard ook, waaraan een
rechtsgevolg is verbonden, gericht op beperking van de
handelingsbekwaamheid van vrouwen, als nietig dient te worden beschouwd’.
In casu doet de situatie waarop artikel 15 lid 3 van het verdrag doelt
zich niet voor, nu gesteld noch gebleken is op welke wijze de
overeenkomst van J en Interpolis de handelingsbekwaamheid van J zou
beperken.

3.5. J acht het beding in strijd met artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (New York, 16 december
1966, voor Nederland van kracht sedert 11 maart 1979) luidende: `Allen
zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op
gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en
doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere
status’. De rechtbank oordeelt geen schending van dit artikel aanwezig:
Het beding van artikel 12 f levert geen directe discriminatie naar
geslacht op. Immers gesteld noch gebleken is dat in de polissen voor
mannen het beding niet wordt opgenomen. Wel is het zo dat het beding op
biologische gronden uitsluitend vrouwen kan treffen. Echter Interpolis
heeft gesteld dat het motief voor artikel 12 f is gelegen in de gedachte
slechts arbeidsongeschiktheid te willen verzekeren die ontstaat
tengevolge van onzekere (en niet beoogde) voorvallen (246 K.). Op de
risico’s voor Interpolis van verwezenlijking van die onzekere voorvallen
is ook de te betalen premie afgestemd. Bij de premiebepaling is aldus
geen rekening gehouden met het risico dat Interpolis wegens normaal
verlopende zwangerschappen en bevallingen zou moeten uitkeren. Aldus
wordt, naar het oordeel van de rechtbank, door Interpolis een doel
nagestreefd (verzekeren van bepaalde onzekere voorvallen tegen een
bepaalde premie) waaraan iedere gedachte van discriminatie vreemd is.
Interpolis heeft een gerechtvaardigd belang bij een juiste premiestelling
tegenover een bepaald risico. Wanneer zij bij de premiebepaling uitgaat
van niet-verzekering van arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap en
bevalling zal dit leiden tot een andere premie in vergelijking met een
wel opgenomen verplichting tot uitkering bij zwangerschap en bevalling.
In de polis is, zowel door Interpolis als door J, gekozen voor de
uitsluiting van artikel 12 f, op welke situatie de door haar
verschuldigde premie ook is afgesteld. Voor de rechtbank staat daarmee
ook voldoende vast dat door Interpolis geen met discriminatie verband
houdend doel wordt nagestreefd. Waar derhalve in de uitwerking van het
beding desalniettemin onderscheid tussen mannen en vrouwen ontstaat,
vindt dit onderscheid in het bovenstaande een objectieve rechtvaardiging
en staat het Interpolis en J vrij dit overeen te komen.

3.6. J beroept zich op artikel 4 lid 1 van de (EEG) richtlijn van de Raad
van 19 december 1978, nr. 79/7/EEG, op de vierde (EEG) richtlijn van de
Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en
sectoriele regelingen inzake de sociale zekerheid en op de vijfde (EEG)
richtlijn van de Raad van 11 december 1986 betreffende de toepassing van
het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en
vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het
moederschap. Voorzover de overeenkomst tussen J en Interpolis al behoort
tot de toepassingsgebieden van de onderscheiden richtlijnen, kan J als
particulier deze bepalingen niet ingeroepen tegen een andere particulier,
omdat de richtlijnen uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren
kunnen opleggen en bepalingen van een richtlijn als zodanig niet
tegenover een particulier kunnen worden ingeroepen (artikel 189
EEG-verdrag). Dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van oordeel is dat verzekeringsmaatschappijen
discriminatoire bepalingen dienen af te stemmen op de EEG-richtlijnen
doet hier niet aan af.

3.7. Tenslotte beroept J zich op de Ontwerpwet Gelijke Behandeling, met
name artikel 7 daarvan. Voorzover anticipatie op dit voorontwerp al
mogelijk is, faalt dit beroep nu artikel 2 van de ontwerpwet het verbod
van onderscheid niet laat gelden ten aanzien van indirect onderscheid dat
objectief gerechtvaardigd is.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene geldt tussen partijen het bepaalde in
artikel 12 f van de polis. De discussie tussen partijen of zwangerschap
al dan niet als een ziekte moet worden beschouwd is daarmee niet langer
relevant. De gevorderde verklaring voor recht * evenals de gevorderde
vernietiging van genoemde polisvoorwaarde * zal worden afgewezen.

3.9. De vordering van J tot betaling van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ad ƒ 165,- per dag over 81 2/3e dagen,
is slechts toewijsbaar voorzover allereerst komt vast te staan dat
gedurende een bepaald aantal dagen sprake was van een volledige
arbeidsongeschiktheid van J, ingevolge complicaties die bij de
zwangerschap of bevalling zijn opgetreden. J gaat uit van zeven dagen van
volledige arbeidsongeschiktheid, te weten van 6 mei tot 12 mei 1992,
zijnde de dagen die zij in het AMC heeft doorgebracht. Interpolis betwist
de arbeidsongeschiktheid van J, omdat de complicaties, zoals J zelf heeft
gesteld, zich bij het kind hebben voorgedaan. De rechtbank acht voldoende
aannemelijk gemaakt dat aan de polisvoorwaarde: `complicaties bij de
bevalling’ is voldaan. In de polis wordt immers geen onderscheid gemaakt
naar complicaties onmiddellijk na de bevalling bij de baby dan wel bij
de moeder. Nu bovendien uit de overgelegde brief van het AMC blijkt dat
J zelf direct postpartum werd verwezen naar het AMC * hetgeen Interpolis
niet heeft betwist * staat de volledige arbeidsongeschiktheid van J
tijdens haar verblijf in het AMC voldoende vast. Zulks geldt temeer omdat
Interpolis zelf er van uitgaat dat het vanzelf spreekt dat de moeder in
geval van complicaties bij het kind in de naaste omgeving van het kind
moet blijven.

3.10 Interpolis doet een beroep op artikel 13 lid 1 onder b van de polis,
hetwelk J verplicht binnen de wachttijd als bedoeld in artikel 6 van de
polis (welke wachttijd voor J een maand was) mededeling van haar
arbeidsongeschiktheid te doen aan Interpolis op het daarvoor bestemde
formulier van aangifte. Interpolis heeft eerst bij repliek d.d. 3
november 1992 vernomen van de bevalling. Echter het derde lid van artikel
13 van de polisvoorwaarden bepaalt, dat geen recht op uitkering bestaat,
indien de verzekerde voornoemde verplichting niet is nagekomen en
daardoor de belangen van de maatschappij heeft geschaad. Het door
Interpolis gewenste onderzoek van J door een deskundige van de zijde van
Interpolis zou, gelet op de in het geding gebrachte verklaring van het
AMC, redelijkerwijs niet tot de conclusie hebben kunnen leiden dat er
geen sprake was van arbeidsongeschiktheid van J. Naar het oordeel van de
rechtbank is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de belangen van
Interpolis door niet tijdige melding door J zijn geschaad.

3.11 Tenslotte betwist Interpolis dat er aan de zijde van J sprake is
geweest van inkomensderving. Echter nu vaststaat dat J filmproducente is
van beroep en vaststaat dat zij inderdaad is bevallen en gedurende een
aantal dagen volledig arbeidsongeschikt is geweest, staat daarmee tevens
vast dat zij gedurende die dagen geen inkomsten kon verwerven. Daarmee
is voldaan aan de voorwaarde van de polis en is Interpolis gehouden tot
uitkering over te gaan. Van J kan niet gevergd worden, zoals Interpolis
kennelijk wenst, dat zij haar werkzaamheden zodanig had geregeld dat zij
vakantie had kunnen opnemen rond de datum van de bevalling. Immers dat
J volledige arbeidsongeschikt zou worden tengevolge van complicaties bij
de bevalling was in beginsel niet te verwachten: dit is nu precies het
onzekere voorval waarvoor artikel 12f van de polis dekking biedt.

3.12 Op grond van het bovenstaande is de vordering van J toewijsbaar tot
een bedrag van 7 dagen a ƒ 165,– = ƒ 1155,–. Nu Interpolis eerst bij
conclusie van repliek d.d. 3 november 1992 op de hoogte was van haar
verplichting tot uitkering onder de polis, kan de gevorderde wettelijke
rente eerst per 3 november 1992 worden toegewezen.

4. De kosten.

J zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van
deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing.

De rechtbank:

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te betalen de somma van ƒ 1.155,– (een duizend een honderd en vijf en
vijftig gulden), vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang
van 3 november 1992 tot aan de dag der algehele voldoening:

verwijst eiseres in de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde
gevallen en tot op heden begroot op ƒ 1720;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze zaak is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mrs De Ruijter, Van der Poel, Halk