Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 17 september 1993

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


De man vordert ƒ 2.000,- alimentatie van de vrouw. De rechtbank
wijst de vordering af. De man zal waarschijnlijk in levensstandaard terug
moeten, maar gezien zijn leeftijd, de duur van het huwelijk en het feit
dat de man geen verdere verzorgingsverplichtingen heeft jegens anderen,
gevoegd bij het feit dat de man door het huwelijk niet is geschaad in zijn
carriere of verdiencapaciteit is dit geenszins onredelijk te achten, noch
in strijd met de wettelijke maatstaven.

Volledige tekst

De partijen worden verder aangeduid als de vrouw en de man.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende overgelegde stukken:

-de dagvaarding en de zakelijk daarmee overeenstemmende conclusie van eis;

-de conclusie van antwoord;

-de conclusie van repliek;

-de conclusie van dupliek;

-de bij de diverse stukken overgelegde produkties;

De vorderingen

De vrouw vordert -kort weergegeven-;

-echtscheiding, althans scheiding van tafel en bed,

met de navolgende nevenvordering:

-bevel tot boedelscheiding met benoeming van een notaris en een onzijdig
persoon, voorzover er tussen partijen gemeenschap van goederen bestaat;

-het huurrecht van de echtelijke woning;

De man vordert -kort weergegeven-:

-alimentatie voor zichzelf.

De beoordeling

Blijkens de overgelegde bewijsstukken zijn partijen met elkaar gehuwd te
Weesp op 30 oktober 1987 en hebben zij een minderjarig kind, zoals in de
dagvaarding vermeld.

De vrouw heeft de Nederlanse en de man de Franse nationaliteit.

Omdat partijen meer dan zes maanden woonplaats in Nederland hebben komt
de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

Op de vordering wordt Nederlands recht toegepast, om dat de keuze van de
vrouw voor dat recht niet is weersproken. (art. 1 lid 4 Wet
Conflictenrecht echtscheiding d.d. 25 maart 1981, Staatsblad 166).

De echtscheiding wordt gevorderd op grond van de stelling, dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

De duurzame ontwrichting is door de wederpartij niet betwist, zodat deze
tussen partijen vaststaat en de vordering tot echtscheiding kan worden
toegewezen.

Partijen zijn blijkens de in dit opzicht niet weersproken stellingen der
dagvaarding buiten gemeenschap van goederen gehuwd.

De vordering met betrekking tot boedelscheiding, voorzover er niettemin
enige gemeenschap van goederen zou zijn, zal worden afgewezen omdat de
gedingstukken geen aanknopingspunt bevatten omtrent het door partijen bij
huwelijkse voorwaarden gekozen rechtsstelsel noch enig aanknopingspunt
omtrent aard en omvang van een eventueel ontstane gemeenschap. De
rechtbank acht de vorderng derhalve onvoldoende bepaald.

De vordering met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning is
wel voor toewijzing vatbaar nu daartegen geen verweer is gevoerd.

De man vordert van de vrouw een bijdrage in zijn kosten van
levensonderhoud van (naar de rechtbank begrijpt) ƒ 2.000,- per maand,
stellende dat hij aan dat bedrag behoefte heeft en dat de vrouw de
draagkracht heeft om dit bedrag te betalen. Hij is intussen gewend aan een
hoog welstandsniveau en de abrupte daling daarvan is niet in
overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

De vrouw betwist de behoefte van de man aan de door hem verzochte bijdrage
in de kosten van levensonderhoud met de stelling, dat de man genoegzame
eigen inkomsten heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
Bovendien is het huwelijk van zodanig korte duur geweest, dat het niet
redelijk zou zijn haar met een alimentatieplicht jegens de man te
belasten.

Voorts beroept de vrouw zich op een gemis aan financiele draagkracht tot
betaling van deze bijdrage, nu zij ook de zorg heeft voor een minderjarig
kind en haar beroep vele extra kosten met zich brengt.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling van de financiele situatie van de
man uit van een inkomen, dat de man sinds 1 april 1993 in Frankrijk geniet
van 5500 franse francs, hetgeen volgens hem zou neerkomen op ongeveer ƒ
1.800,- netto per maand. Hij heeft geen bijzondere lasten aangevoerd,
behalve de verplichting hem opgelegd bij voorlopige voorzieningen om bij
te dragen in het levensonderhoud van zijn dochter. Bij diezelfde
voorzieningen is het kind voorlopig aan de moeder toevertrouwd.

Hoewel de man uitdrukkelijk kenbaar maakt, dat hij de verzorging van zijn
dochter op zich wil nemen en bij dit vonnis daarom een ouderverhoor zal
worden bevolen, gaat de rechtbank ter bepaling thans van de behoefte van
de man aan levensonderhoud uit van de huidige situatie aangevuld met de
veronderstelling, dat de man van zijn bijdrage in het levensonderhoud van
zijn dochter zal worden ontheven. Mocht na ouderverhoor anders worden
beslist, dan levert zulks een wijziging van omstandigheden op, die
vanzelfsprekend tot wijziging van de thans te geven beslissing aanleiding
kan vormen.

In de aldus gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel, dat de man
geen behoefte heeft aan ondersteuning van de vrouw. Hem moet weliswaar
worden nagegeven dat hij waarschijnlijk in levensstandaard terug zal
moeten, maar gezien zijn leeftijd en de duur van het huwelijk gevoegd bij
een feit, dat hij alsdan geen verzorgingsverplichtingen heeft jegens
anderen acht de rechtbank zulks niet onredelijk of in strijd met de
wettelijke maatstaven. Ook is niet gesteld of gebleken, dat de man door
het huwelijk in zijn carriere of verdiencapaciteit is geschaad. Mede in
het licht van de omstandigheid, dat onweersproken is gebleven de stelling
van de vrouw, dat de man in zijn vorige baan te Rotterdam ongeveer ƒ
3.000,- per maand netto verdiende en het verleggen van zijn activiteiten
naar Frankrijk kennelijk zijn eigen keuze is, zal zijn vordering tot
levensonderhoud dan ook worden afgewezen.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing:

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen die op 30 oktober 1987 te
Weesp met elkaar zijn gehuwd;

bepaalt dat partijen door tussenkomst van hun procureur zich schriftelijk
over de gezagsvoorziening, de kinderalimentatie en de omgangsregeling of
gezamenlijke uitoefening van de ouderlijke macht over het kind: S. geboren
te … op 3 mei 1988,

kunnen uitlaten uiterlijk zeven dagen voor de zitting van de enkelvoudige
kamer van deze rechtbank van dinsdag 26 oktober 1993;

bepaalt dat de vrouw vanaf de dag waarop dit vonnis zal zijn ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de woning
te … aan de …straat;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Van der Reijt