Instantie: Rechtbank Assen, 29 september 1992

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Sinds het arrest van de Hoge Raad d.d. 3 november 1978, NJ 1979, 120
zijn de maatschappelijke opvattingen over homoseksuele relaties dusdanig
gewijzigd dat – in navolging van de wetgeving op het gebied van de sociale
zekerheid – ook met betrekking tot art. 1:160 BW gehuwden en ongehuwden
aan elkaar worden gelijkgesteld evenals ongehuwden van verschillend en
gelijk geslacht. Wel verdient het volgens de rechtbank aanbeveling als de
wetgever aandacht zou besteden aan een sluitend geheel van
civielrechtelijke onderhoudsverplichtingen.

Volledige tekst

Overwegingen

1. De procedure

1.1. Bij op 31 maart 1992 ter griffie ingekomen rekest heeft verzoeker,
verder de man te noemen, verzocht de door hem te betalen bijdrage in het
levensonderhoud van gerekwestreerde met ingang van de datum van indiening
van het rekest te bepalen op nihil.

1.2. Bij tijdig ingekomen verweerschrift betwist gerekwestreerde, verder
de vrouw te noemen, het door de man verzochte; zij concludeert tot
afwijzing van zijn verzoek.

1.3. Verzoeker heeft op 27 mei 1992 een aanvullend rekest ingediend,
houdende aanvulling van de grondslagen van zijn verzoek.

1.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van
2 juni 1992.

1.5. De behandelend rechter heeft de zaak verwezen naar de meervoudige
kamer.

1.6. De rechtbank heeft kennisgenomen van de brieven van de raadsman van
de vrouw d.d. 9 juni, 19 juni en 14 juli 1992 en van de brief van de
raadsman van de man d.d. 16 juni 1992.

2. Motivering

2.1. Het huwelijk van partijen is op 5 juni 1989 ontbonden door
inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het op 2 mei
1989 tussen hen gewezen echtscheidingsvonnis.

2.2. Bij beschikking van 22 mei 1989 is bepaald, dat de man aan de vrouw
voor haar levensonderhoud ƒ 350,- per maand diende te betalen.

2.3. De man heeft verzocht deze onderhoudsverplichting met ingang van 31
maart 1992 te stellen op nihil, zulks op grond van het feit, dat de vrouw
in lesbisch concubinaat leeft, welke situatie te vergelijken is met de
situatie als bedoeld in art. 160 boek I BW, zodat hij zich niet meer
gehouden voelt nog enige bijdrage voor haar te voldoen en op grond van het
feit, dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een onderhoudsbijdrage.
Meer subsidiair voert de man aan, dat zijn financiele omstandigheden
zodanig zijn gewijzigd, dat hij geen draagkracht heeft om nog enige
bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

2.4. De vrouw ontkent primair de door de man gestelde relatie. Subsidiair
ontkent de vrouw, dat een dergelijke relatie automatisch leidt tot
toepassing van art. 1:160 BW. Volgens HR 3 november 1978, NJ 1979, 120 is
genoemd artikel niet van toepassing op een lesbische relatie.

Meer subsidiair stelt de vrouw, dat zij nog wel degelijk behoefte heeft
aan een bijdrage van de man, omdat zij een aanvullende bijstandsuitkering
ontvangt en nog meer subsidiair betwist de vrouw dat de financiele
omstandigheden van de man zodanig zijn gewijzigd, dat de huidige
alimentatieverplichting niet meer zou voldoen aan de wettelijke
maatstaven.

2.5. Allereerst dient beslist te worden op de vraag, of een lesbisch
concubinaat leidt tot eindigen van de alimentatieverplichting van de
gewezen echtgenoot van de alimentatiegerechtigde op grond van art. 1:160
BW, zoals de raadsman van de man heeft betoogd. De subsidiaire geschillen
komen eerst aan bod nadat voormelde kwestie is beslist.

Vooropgesteld zij, dat de letterlijke tekst van art. 1:160 BW niet spreekt
over man of vrouw, doch dat bij de invoering van art. 1:160 BW slechts
bedoeld werd op heteroseksuele relaties. In het door de raadsman van de
vrouw aangehaalde arrest bevestigde de Hoge Raad dat dit artikel niet van
toepassing is op een homofiele relatie.

Sinds dit arrest zijn de maatschappelijke opvattingen over andere dan de
destijds als normaal aanvaarde samenlevingsvormen aanmerkelijk gewijzigd.
Deze wijziging in maatschappelijke opvattingen heeft geleid tot wijziging
in wetgeving, met name op het terrein van de sociale zekerheid. Sinds 1
januari 1987 – de invoeringsdatum van de stelselherziening sociale
zekerheid – is in een groot aantal sociale zekerheidswetten de gelijke
behandeling van ongehuwd samenwonenden en gehuwden geregeld.

In al deze wetten valt te lezen, dat met gehuwden gelijk gesteld worden
niet gehuwden van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een
gezamenlijke huishouding vormen (bepaalde bloedverwanten uitgezonderd).
Van een gezamenlijke huishouding is in die wetten slechts sprake indien
twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien
een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere
wijze in elkaars verzorging voorzien.

In de MvT bij de wijziging van art. 5 van de Algemene Bijstandswet werd
bijvoorbeeld gesteld dat door het opnemen van een nieuw art. 5a wordt
geformaliseerd dat de bijstand aan niet gehuwde personen, die een duurzame
gezamenlijke huishouding voeren en van die de situatie ook overigens niet
feitelijk verschilt van die van gehuwde partners, op overeenkomstige wijze
wordt vastgesteld als de bijstand aan echtelieden ingevolge art. 5 ABW.
Daarbij is gesteld, dat bij de beoordeling of sprake is van een
gezamenlijke huishouding niet maatgevend mag zijn of er al dan niet sprake
is van een seksuele relatie. Alleen objectieve criteria mogen een rol
spelen.

De vroegere opvatting omtrent art. 1:160 BW leidt tot een onredelijk en
onbillijk uitwerkend en daarom niet langer houdbaar verschil in
rechtspositie van de gewezen echtgenoten: als de ex-partner gaat
samenleven met iemand van het andere geslacht is de alimentatieplicht
geeindigd, terwijl dat niet het geval is als de ex-partner gaat samenleven
met iemand van hetzelfde geslacht.

Gelet op de voormelde gewijzigde opvattingen is de rechtbank van oordeel,
dat met een samenleving als bedoeld in art. 1:160 BW gelijkgesteld moet
worden een samenleving tussen twee partners van hetzelfde geslacht, die
voor het overige niet verschilt van de in dat artikel bedoelde relatie.
Gelet op de tekst van art. 1:160 BW is een wetswijziging niet nodig om tot
deze interpretatie te komen.

Wel zou het aanbeveling verdienen, als de wetgever, in het licht van de
geschetste maatschappelijke veranderingen, aandacht zou besteden aan een
sluitend stelsel van civielrechtelijke onderhoudsverplichtingen en zich
(meer diepgaand dan bij de totstandkoming van art. 1:160 BW het geval is
geweest) zou beraden omtrent de vraag of een alimentatieverplichting van
een ex-echtgenoot onder alle omstandigheden voorgoed ten einde moet komen
door een samenwoningsrelatie die geen civielrechtelijke aanspraken tot
onderhoud schept gedurende het bestaan van die relatie, laat staan na de
verbreking daarvan.

2.6. De slotsom in de onderhavige zaak luidt dat de alimentatieplicht van
de man geeindigd is, indien komt vast te staan dat de vrouw met mevrouw
Z in concubinaat leeft.

Daar de vrouw een dergelijke relatie betwist, zal de man overeenkomstig
zijn aanbod, hiervan bewijs mogen leveren. Ten aanzien van het bewijs van
de in art. 1:160 BW bedoelde relatie is het volgens de rechtspraak in
alimentatiekwesties niet van doorslaggevende betekenis of er geslachtelijk
verkeer plaatsvindt tussen de partners; een eventuele intieme relatie is
niet meer dan een van de afwegingsfactoren.

2.7. De rechtbank verwijst de zaak voor de verdere afdoening naar de
enkelvoudige kamer.

Beslissingen

De rechtbank:

1. Draagt de man op te bewijzen, dat de vrouw samenleeft met mevrouw Z als
waren zij gehuwd.

2. Verwijst de zaak naar de enkelvoudige kamer (mr. A.
Rombouts-Nieuwstraten) ter verdere afdoening.

3. Bepaalt dat de enquete zal plaatshebben op maandag 19 oktober 1992 te
13.30 uur, in het gerechtsgebouw te Assen, Stationsstraat 29a.

Rechters

Mrs. le Poole, Dijkers, Rombouts-Nieuwstraten.