Instantie: Centrale Raad van Beroep, 3 september 1992

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De hardnekkigheid waarmee gedaagde zich aan bepaalde vrouwelijke
ondergeschikten bleef opdringen, was onverenigbaar met zijn positie als hoofd
van het rayonkantoor.

De Centrale Raad heeft het ontslag van gedaagde wegens ongeschiktheid,
anders dan de Ambtenarenrechter, gesauveerd.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 10 mei 1985 heeft eiser gedaagde, hoofd van het
Rayonkantoor B. van de Gemeentelijke Sociale Dienst, ingaande 24 mei 1985
ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn
betrekking anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken en daarbij bepaald
dat gedaagde ter zake van dit ontslag geen aanspraak heeft op wachtgeld
krachtens de Wachtgeldverordening dan wel uitkering krachtens de
Uitkeringsverordening.

Bij uitspraak van 19 december 1986, nr. AW 85/324, heeft het
Ambtenarengerecht te Haarlem het bestreden besluit nietig verklaard.

Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Mr. P.J. Koeslag, verbonden aan de CFO: CNV-bond voor Overheid,
Gezondheid, Welzijn en Sociale Werkvoorziening, heeft als gemachtigde van
gedaagde van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 16 juni 1988. Eiser is
daar verschenen bij gemachtigde mevr. Mr. J.M. Caro, juridisch medewerker bij
de Centrale Afdeling Personeelszaken ter gemeentesecretarie, met als
medegemachtigde mevr. M.J. van Ligten, beleidsmedewerker bij de Gemeentelijke
Sociale Dienst, voorheen personeelsadviseur bij die dienst. Gedaagde is in
persoon verschenen met bijstand van Mr. Koeslag, voornoemd, als zijn
raadsman.

Als getuigen, van de zijde van eiser voorgebracht, zijn gehoord mevr.
J., bedrijfsmaatschappelijk werkster bij de Gemeentelijke Sociale Dienst, en
J., eerste medewerker binnendienst bij het Rayonkantoor Z. van de
Gemeentelijke Sociale Dienst.

Van oordeel zijnde dat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft de
Raad bij bevel van 30 juni 1988 een voorbereidend onderzoek gelast. Ter
uitvoering van dit bevel heeft de voorzitter aan Mr. J.O. de Lange, destijds
lid van de Raad, opgedragen om als lid-commissaris een onderzoek in te stellen
naar de aard, de omvang en de inhoud van de jegens gedaagde ingebrachte
bezwaren met betrekking tot zijn gedragingen en handelingen welke werden
omschreven als “ongewenste intimiteiten”.

Genoemd lid-commissaris heeft gedaagde, alsmede – in tegenwoordigheid
van gedaagde en zijn raadsman – een dertiental getuigen gehoord. Een getuige,
mevr. K., heeft geen gevolg gegeven aan de herhaalde oproepingen om voor het
lid-commissaris te verschijnen, waarna deze ervan heeft afgezien deze getuige
te horen ten einde het uitbrengen van zijn eindverslag niet nog langer uit te
stellen. Het lid-commissaris heeft vervolgens op 25 mei 1990 rapport
uitgebracht onder bijvoeging van een uitvoerig proces-verbaal van de door hem
gehouden verhoren.

Eiser en gedaagde hebben, onder dagtekening 2 juli 1990, resp. 10
oktober 1990, schriftelijk gereageerd op de inhoud van het rapport van het
lid-commissaris.

De voorzitter heeft vervolgens bepaald dat de behandeling van de zaak
zou worden voortgezet ter terechtzitting van 24 januari 1991. Deze behandeling
is uitgesteld naar aanleiding van de mededeling van mevr. K., voornoemd, dat
zij om medische redenen verhinderd was gevolg te geven aan de oproeping als
getuige te verschijnen.

De behandeling van het geding is voortgezet ter terechtzitting van 28
februari 1991. Eiser, ambtshalve opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen,
heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door Mr. J.M. Dekker, juridisch
medewerker Centrale Afdeling Personeelszaken ter gemeentesecretarie. Gedaagde,
daartoe ambtshalve opgeroepen, is in persoon verschenen, bijgestaan door Mr.
Koeslag, voornoemd, als zijn raadsman. Mevr. K., voornoemd, ambtshalve
opgeroepen als getuige, is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.

II. Motivering

Gedaagde is op 1 november 1983 in dienst getreden bij de gemeente
Amsterdam als hoofd van het rayonkantoor B. van de Gemeentelijke Sociale
Dienst (GSD). Ingaande 1 november 1984 is zijn tijdelijk dienstverband omgezet
in een vast dienstverband.

Eind november 1984 hebben enkele medewerksters een schriftelijke klacht
ingediend ten aanzien van gedragingen en handelingen van gedaagde, welke
werden omschreven als ‘ongewenste intimiteiten’.

De directeur van de GSD heeft gedaagde daarop de toegang tot zijn
werkplek ontzegd en een onderzoekscommissie ingesteld. Na ontvangst van het
advies van deze commissie heeft de directeur gedaagde van zijn werkzaamheden
ontheven. Vervolgens heeft eiser gedaagde geschorst met behoud van bezoldiging
en hem, bij het thans bestreden besluit, ontslag verleend wegens
ongeschiktheid anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken.
Â’
Het Ambtenarengerecht heeft het bestreden besluit nietig verklaard. Het
heeft daartoe overwogen dat de besluitvorming ter zake van het ontslag niet
met de vereiste zorgvuldigheid was omringd (met name als gevolg van de
gebrekkige werkwijze van de onderzoekscommissie), dat geenszins aannemelijk is
geworden dat alle gedaagde ten laste gelegde handelingen inderdaad door hem
zijn begaan, en dat datgene wat als vaststaand mag worden aangenomen volstrekt
onvoldoende grondslag biedt voor het aannemen van ongeschiktheid voor zijn
functie.

De Raad overweegt het volgende:

Ook de Raad is van oordeel dat de werkwijze van de door de directeur van
de GSD ingestelde commissie, mede uit onervarenheid met het uitvoeren van een
onderzoek naar aanleiding van een klacht over ongewenste intimiteiten,
gebreken heeft vertoond.

Deze gebreken zijn echter door het in hoger beroep gehouden
voorbereidend onderzoek geheeld.

Als gevolg van het niet verschijnen van getuige K. is niet komen vast te
staan of gedaagde haar in het keukentje van het rayonkantoor heeft betast op
de door haar gestelde wijze dan wel of er in het keukentje niets laakbaars is
voorgevallen, zoals gedaagde met klem heeft betoogd. De Raad zal het
keuken-incident bij zijn oordeelsvorming buiten beschouwing laten, nu de
overige, wel genoegzaam vaststaande, feiten voldoende grondslag bieden voor
een beslissing van het geding. Om die reden acht de Raad het ook niet
aangewezen de zaak wederom aan te houden om mevr. K. alsnog ter zitting te
doen verschijnen.

Uit het onderzoek van het lid-commissaris is een aantal gedragingen van
gedaagde naar voren gekomen, die elk afzonderlijk en los van gedaagdes positie
als hoofd van het rayonkantoor beschouwd niet van gewichtige betekenis zijn,
maar die tezamen het beeld oproepen en bevestigen van een chef die onvoldoende
distantie tot zijn (vrouwelijke) ondergeschikten weet te bewaren: al dan niet
toevallige aanrakingen in het voorbijgaan, over iemand heenleunen, een
quasi-joviale arm om een schouder, hardnekkige pogingen om een afspraak voor
een etentje te maken e.d.

Gedaagde heeft veel van deze gedragingen toegegeven, doch deze
tegelijkertijd gekwalificeerd als passend in de ongedwongen sfeer die er op
het rayonkantoor heerste.

De Raad is van oordeel dat gedaagde daarmede blijk geeft geen juist
besef te hebben van waar de grens ligt van wat een chef zich tegenover het
onder hem gestelde personeel kan permitteren.

De hardnekkigheid waarmee gedaagde zich aan bepaalde vrouwelijke
ondergeschikten bleef opdringen was onverenigbaar met zijn positie als hoofd
van het rayonkantoor.

De Raad kan de conclusie van eiser, dat gedaagde ongeschikt moest worden
geacht voor de verdere vervulling van zijn betrekking, dan ook niet als
onjuist aanmerken. Daarmee is de bevoegdheid van eiser om gedaagde ontslag te
verlenen in beginsel gegeven.

Het toepasselijke ambtenarenreglement schrijft niet voor dat het bevoegd
gezag, alvorens ontslag wegens ongeschiktheid anders dan uit hoofde van
ziekten of gebreken te verlenen, dient te trachten de betrokken ambtenaar in
een andere functie te herplaatsen, terwijl in het onderhavige geval evenmin
uit het ongeschreven recht een verplichting tot het ondernemen van
herplaatsingspogingen kan worden afgeleid.

De Raad onderschrijft voorts niet het standpunt van de eerste rechter
dat bij de aanzegging van het ontslag is gehandeld in strijd met het ARA. De
Raad volstaat in dit verband met een verwijzing naar zijn uitspraak van 12
januari 1989, TAR 1989, 53.

Aangezien ook overigens niet is gebleken van enige grond waarop het
ontslagbesluit zou kunnen worden aangetast, moet de aangevallen uitspraak
worden vernietigd en het tegen dat besluit ingestelde beroep alsnog ongegrond
worden verklaard.

Gedaagde heeft zich gedragen op een zodanige wijze dat naar het oordeel
van de Raad kan worden gesproken van eigen schuld of toedoen in de zin van
artikel 2, tweede lid onder a van de Wachtgeldverordening, resp. van
verwijtbaar handelen, waarvan hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij
daardoor niet in zijn betrekking kon worden gehandhaafd, als bedoeld in
artikel 2, tweede lid onder a van de Uitkeringsverordening. Gedaagdes beroep
tegen dat deel van het bestreden besluit, waarbij aan hem aanspraak op
wachtgeld ingevolge de Wachtgeldverordening, resp. uitkering ingevolge de
Uitkeringsverordening is ontzegd, moet derhalve eveneens alsnog ongegrond
worden verklaard.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing:

Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het primaire beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mr J. Boesjes als voorzitter en mr J. Janssen en mr Ch. de Vrey alsleden.