Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 12 augustus 1992

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Het gerechtshof bekrachtigt de beschikking van het medisch tuchtcollege.
Het college sluit zich aan bij de constante jurisprudentie van de medische
tuchtcolleges, volgens welke een arts de therapeutische relatie met een
patiente niet behoort te vermengen met een liefdesrelatie.

Zeker toen de zenuwarts met de patiente begon met haptonomie, had hij zich
moeten realiseren dat er een liefdesrelatie uit voort kon komen. Daardoor
wordt inbreuk gedaan op de waardigheid en de integriteit van de patiente die
door haar ziekte en de noodzaak van behandeling in een afhankelijke positie
jegens de arts verkeert.

Volledige tekst

1. De procedure.

Bij die beschikking, welke in foto-kopie is aangehecht, is aan A., voornoemd,
naar aanleiding van een door de Geneeskundige Inspecteur voor de Geestelijke
Volksgezondheid voor Noord-Brabant en Limburg te I., zijnde thans C. hierna
verder te noemen: klaagster, de maatregel van schorsing in de uitoefening van
de geneeskunst voor de tijd van vier maanden opgelegd en is voorts bepaald,
dat die beslissing met inachtneming van artikel 13b lid 1 van de Medische
Tuchtwet bekend zal worden gemaakt door plaatsing in de Nederlandse
Staatscourant en door toezending met verzoek tot plaatsing aan de redacties
van het “Tijdschrift voor Gezondheidsrecht” en “Medisch contact”.

Tegen deze beslissing is door A. -hierna verder te noemen: appellant- beroep
ingesteld. Het beroepschrift is op 30 januari 1992 -en derhalve tijdig bij
het College voor medisch Tuchtrecht binnengekomen.

Ter niet-openbare terechtzitting van dit Hof van 1 juli 1992 heeft het Hof
gehoord: appellant in persoon bijgestaan door zijn raadsman, de klaagster en
de Procureur-Generaal.

2. De beoordeling

2.1. Appellant heeft in hoger beroep, in afwijking van zijn verklaringen in
eerste aanleg, naar voren gebracht, dat er gedurende de tijd, dat hij met
mevrouw D een seksuele relatie onderhield, geen sprake was van een verhouding
arts-patiente tussen hem en mevrouw D, omdat mevrouw D toen gezond en genezen
was. Mevrouw D zou toen geen klachten meer hebben gehad, waarvoor behandeling
nodig was, noch op neurologisch noch op psychiatrisch gebied en er zouden
zich in die tijd geen problemen hebben voorgedaan die wezen op een psychische
nood. In eerste aanleg heeft appellant – in overeenstemming met zijn eerdere
opgaven tegenover de interne rapporteur van het E – medegedeeld, dat zijn
seksuele relatie met mevrouw D in het begin van 1988 een aanvang heeft genomen
en ruim drie jaar heeft geduurd.

Uit het vorenbedoeld intern rapport blijkt en in hoger beroep is niet
bestreden, dat mevrouw D in die periode herhaaldelijk door appellant in het
E is opgenomen. Uit de daarvoor door appellant aan de huisarts verzonden
verslagen blijkt, dat hij haar heeft opgenomen en behandeld terzake van
klachten en aandoeningen, welke waren terug te voeren op de neurotische
geaardheid en neiging tot depressiviteit, welke bij haar eerder zowel door
appellant als door de psychiater F in zijn schrijven van 26 maart 1986 –
‘neurotische depressie, somatiseringsstoornis, chronische depressieve
persoonlijkheidsstoornis’ – waren geconstateerd, alsook dat appellant nadere
behandeling en begeleiding beoogde.

2.2. Appellant heeft in hoger beroep nader aangevoerd, dat de opnamen slechts
incidentele inzinkingen betroffen bij een overigens herstelde patiente. Naar
het oordeel van het Hof maakt het geen wezenlijk verschil of appellant
voortdurend of slechts incidenteel bij telkens opnieuw gebleken noodzaak als
arts van de patiente, met wie hij een liefdesrelatie onderhield, optrad.

Overigens wordt appellants hier besproken voorstelling van zaken weerlegd
door de inhoud van de berichten aan de huisarts en zijn tussentijds bericht
van 5 februari 1988, waarin geen gewag wordt gemaakt van herstel, doch van
uitingen van steeds hetzelfde ziektebeeld en van de noodzaak van voortdurende
– intensieve – begeleiding. Uit het intern rapport en de bijgevoegde status
blijkt dat de patiente in de hier van belang zijnde periode ook regelmatig
en frequent onder poliklinische behandeling van appellant heeft gestaan.

2.3. In zijn aan het beroepschrift gehecht schriftelijk relaas, alsook bij
de behandeling in hoger beroep, heeft appellant voorts nog opgegeven, dat de
opnamen en behandeling in werkelijkheid niet noodzakelijk of geindiceerd
waren, hetgeen naar ’s Hofs oordeel zou impliceren, dat appellant in zijn
voormelde schriftelijke verslaglegging en berichtgeving een valse
voorstelling van zaken zou hebben gegeven. Dat opnamen en p adequate –
behandeling niet noodzakelijk en geindiceerd waren is echter in genen dele
aannemelijk geworden en evenmin, dat dat door de patiente zo zou zijn
ervaren.

2.4. Uit het vorenstaande volgt, dat het oordeel van het College, dat
appellant gedurende geruime tijd een seksuele relatie heeft onderhouden met
een patiente, die hij tezelfder tijd als arts onder behandeling had, moet
worden onderschreven.

2.5. Appellant heeft nog aangevoerd, dat hij beide relaties gelijktijdig
heeft laten voortduren onder de dwang van de door de patiente geuite
bedreigingen, dat zij aan haar liefdesrelatie met appellant bekendheid zou
geven wanneer appellant deze onderling verknochte relaties zou beeindigen.
Dat appellant wellicht een dergelijke reactie te vrezen had, was echter een
omstandigheid, waarin hij zichzelf had gebracht en welke een voortzetting van
deze vervlochten relaties niet kon rechtvaardigen.

2.6. De door het College opgelegde schorsing voor de duur van vier maanden
vormt ook naar het oordeel van het Hof een adequate tuchtrechtelijke reactie
op het te laken optreden van appellant, ook wanneer wordt rekening gehouden
met de gevolgen, welke volgens appellants opgave bovendien nog aan de
ontdekking van de feiten en de tuchtrechtelijke bestraffing daarvan voor hem
verbonden zijn. Dat het belang van de huidige patienten van appellant in de
weg staat aan een onvoorwaardelijke schorsing, omdat hun behandeling niet
door een andere arts zou kunnen worden overgenomen, is onvoldoende
aannemelijk geworden.

2.7. Uit al het bovenstaande volgt, dat het beroep ongegrond is en dat de
beschikking, waarvan beroep, dient te worden bekrachtigd. De openbaarmaking
van de bestreden beschikking berust op de Wet en komt wenselijk voor, terwijl
hetgeen appellant daartegen heeft aangevoerd, naar ’s Hofs oordeel niet van
zo zwaarwegende aard is, dat het tot een andere beslissing dan die van de
eerste rechter op dit punt zou behoren te leiden.

3. De beslissing: Het gerechtshof bekrachtigt de beschikking, waarvan beroep.

Rechters

Mrs. Jurgens, Langemeijer, Overwater en Smulders