Instantie: Centrale Raad van Beroep, 7 mei 1992

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Ook nadat de betrokken collega te kennen had gegeven geen seksuele contacten
meer te willen, heeft de magazijnmeester dit onder toepassing van dwang en
dreiging voortgezet. Dit heeft de magazijnmeester zelf ook herhaaldelijk
verklaard. Eiser stelt dat de aan dit plichtsverzuim vereiste verwijtbaarheid
zou ontbreken, onder verwijzing naar de opmerking die een psycholoog in een
politierapport heeft gemaakt over eisers persoonlijkheid. De Raad merkt op
dat hetzelfde politierapport als conclusie vermeldt dat eiser volledig
toerekeningsvatbaar is te stellen voor de hem verweten gedragingen. De Raad
is dan ook van oordeel dat hier sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. De
opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag kan niet als onevenredig worden
aangemerkt
De eis wordt afgewezen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Namens eiser is op daartoe bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de door het Ambtenarengerecht te
Rotterdam onder nummer AW 1990/384-Dt-C4 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Namens gedaagde is van contra-memorie gediend.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 16 april 1992, waar eiser in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr C. Andre de la Porte, advocaat en
procureur te Dordrecht, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door mr J.M.M.B. Maes, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek
Recht en Administratie BV te ‘s-Gravenhage.

II. Motivering

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide
weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans
met vermelding van het volgende:
Eiser was ten tijde hier van belang bij gedaagdes werkvoorzieningsschap
werkzaam als magazijnmeester. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde eiser
disciplinair gestraft met onvoorwaardelijk ontslag ter zake van
plichtsverzuim, bestaande in het gedurende geruime tijd, soms tegen haar wil,
een aantal keren gepaard met het geven van geld aan de betrokkene, in
diensttijd en daarbuiten, onder bedreigingen en met toepassing van
geestelijke dwang plegen van seksuele handelingen met een geestelijk
onvolwaardige werkneemster die in het kader van de Wet Sociale
Werkvoorziening (WSW) bij gedaagdes werkvoorzieningsschap was geplaatst.
De eerste rechter heeft eisers beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
De Raad deelt het oordeel van die rechter en onderschrijft de overwegingen
waarop het oordeel steunt. Ook voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan
dat eiser gedurende geruime tijd een seksuele relatie heeft onderhouden met
de betrokken werkneemster en deze relatie, ook nadat betrokkenen te kennen
had gegeven zulks niet meer te willen, onder toepassing van dwang heeft
voortgezet. Eiser heeft weliswaar ontkend bedoelde relatie onder dwang te
hebben voortgezet, maar die ontkenning acht de Raad onvoldoende geloofwaardig
nu eiser tegenover de politie herhaaldelijk heeft verklaard druk en dreiging
te hebben uitgeoefend om betrokken werkneemster ertoe te bewegen seksuele
handelingen met hem te plegen.
De Raad is dan ook met gedaagde van oordeel dat eiser zich sc huldig heeft
gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Dat aan dit plichtsverzuim de
vereiste verwijtbaarheid zou ontbreken, zoals namens eiser is gesteld onder
verwijzing naar de kanttekeningen die de psycholoog drs. J.S. Nagtzaam heeft
geplaatst bij eisers persoonlijkheid is in het door de psycholoog op verzoek
van de rechter-commissaris van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht
uitgebracht rapport, wordt door de Raad niet aanvaard nu datzelfde rapport
immers als conclusie vermeldt dat eiser volledig toerekeningsvatbaar is te
stellen voor de hem in dit geding verweten gedragingen.
Naar het oordeel van de Raad was gedaagde dan ook bevoegd eiser met
toepassing van artikel G1 van het in casu toepasselijke ambtenarenreglement
disciplinair te straffen. Gedaagde heeft in de gegeven omstandigheden in
redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Gelet op de aard en de
ernst van het plichtsverzuim is de Raad voorts van opvatting dat de opgelegde
straf van onvoorwaardelijk ontslag niet als onevenredig kan worden
aangemerkt.
De Raad tekent hierbij aan dat hij, gezien de volstrekt ontoelaatbare aard
van eisers gedragingen, aan de omstandigheid dat gedaagde geen richtlijnen
heeft gesteld omtrent de tussen de bij zijn werkvoorzieningsschap in dienst
zijnde werknemers en degenen die in het kader van de WSW bij dat
werkvoorzieningsschap zijn geplaatst in acht te nemen omgangsvormen betekenis
kan hechten die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Ook het gegeven dat
eisers functioneren gedaagde overigens geen aanleiding heeft gegeven tot
aanmerkingen, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Gelet op het voorgaande wordt dan ook beslist als volgt:

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. Bekker, Van den Brink, Van Diepenbeek