Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 juni 1991

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


School op een van de eilanden van de Nederlandse Antillen werft in
Nederland personeel. Sollicitaten wordt gevraagd naar hun burgerlijke staat.
Tijdens de selectieprocedure blijkt dat vrouwen alleen in aanmerking komen
wanneer zij ongehuwd en kinderloos zijn. Commissie bevoegd in deze zaak met
internationale aspecten. Aansluiting bij rechtsmachtbepaling Nederlandse
rechter. Vragen naar de burgerlijke staat in strijd met de wet nu aan deze
burgerlijke staat alleen voor vrouwen gevolgen worden verbonden. Strijd met de
wet in de selectiefase omdat aan vrouwen meer eisen worden gesteld dan aan
mannen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 12 maart 1990 verzocht mevrouw drs te Amsterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door de Stichting
te Curacao, Nederlandse Antillen (hierna: de wederpartij) onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB,
Stb. 1989, 168) en/of artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
docent. Zij is voor deze functie afgewezen. Volgens verzoekster is zij
afgewezen omdat zij gehuwd is. Zij is van mening dat de wederpartij hiermee
heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunten
nader schriftelijk toe te lichten.

Een extern deskundige, de heer prof. mr , heeft
op verzoek van de Commissie een rapport opgesteld over de internationale
reikwijdte van de WGB.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 11 april 1991. Partijen hebben van
deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 11 april 1991. Daarbij waren
aanwezig:

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De wederpartij is een stichting die zorgdraagt voor onderwijs op
een van de eilanden van de Nederlandse Antillen. Begin 1990 heeft zij in
Nederland, onder meer middels een advertentie in een Nederlands dagblad,
kandidaten geworven voor de functie van docent op dit eiland. Geschikte
kandidaten zouden voor een periode van drie jaar worden uitgezonden.

In de advertentietekst is vermeld dat sollicitanten wordt gevraagd in
hun sollicitatiebrief hun burgerlijke staat te vermelden.

Verzoekster is gehuwd en bezit de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde
van de sollicitatie was zij in Nederland woonachtig. Zij heeft gesolliciteerd
naar de functie van docent maar is daarvoor afgewezen. In de
standaard-afwijzingsbrief stond vermeld dat bij de beoordeling van de
sollicitatie de volgende criteria een rol hadden gespeeld:

– gevolgde beroepsopleiding

– onderwijservaring

– leeftijd

– bewijzen van samenwerkingsvermogen

– motivering

– geloofsovertuiging.

In een handgeschreven noot onderaan de, overigens getypte, brief wordt
nog opgemerkt:

“De regels zeggen:

De man kan uitgezonden worden, en zijn echtgenote kan dan meekomen naar
[…]. Het omgekeerde is niet mogelijk, op de Antillen.”

3.2. De Commissie heeft de wederpartij gevraagd informatie te
verschaffen over de gehanteerde wervings- en selectieprocedure. De wederpartij
heeft daarop aangegeven van mening te zijn dat zij niet wettelijk verplicht is
inlichtingen te verstrekken aan de Commissie. Niettemin heeft zij toch de
volgende informatie verstrekt.

De wederpartij trekt geen gehuwde vrouwelijke leerkrachten, met of
zonder kinderen, aan. Ook zegt zij geen ongehuwde vrouwelijke leerkrachten met
kinderen aan te trekken. Ter verklaring van haar handelwijze verwijst
wederpartij naar het van hogerhand vastgestelde beleid. De Landsverordening
1986 no. 96 regelt de officiele toelating van niet-Antillianen, zoals
verzoekster, tot de Nederlandse Antillen. Het uitvoeringsbeleid van deze
verordening ligt in handen van de Gezaghebber van elk Eilandgebied. De
Gezaghebber van het eiland waarop wederpartij zetelt, verleent noch aan de
echtgenoot noch aan de kinderen van niet-Antilliaanse vrouwelijke werknemers
toegang.

De wederpartij stelt geen zeggenschap te hebben over dit beleid en
gehouden te zijn deze regels te respecteren.

3.3. Verzoekster is van mening afgewezen te zijn voor de functie van
docent omdat zij gehuwd is. Zij verwijst naar de onder 3.1. opgenomen passage
onderaan de afwijzingsbrief.

In een later stadium van de procedure stelde verzoekster dat het al dan
niet hebben van kinderen een selectiecriterium is. De wederpartij zou door te
vragen naar de huwelijkse staat, via een omweg discrimineren op het punt van
het hebben van kinderen.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij door het hanteren van de
selectiecriteria als bovengenoemd, handelt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

3.4. De wederpartij bestrijdt het standpunt van verzoekster. Zij stelt
verzoekster afgewezen te hebben omdat zij niet voldeed aan een in de
advertentie genoemde functie-eis, namelijk het bezit van de bevoegdheid
Economie II.

Verzoekster heeft hierop gereageerd met de mededeling dat geen navraag
is gedaan naar haar bevoegdheden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Gezien de internationale aspecten van de onderhavige zaak is de
eerste vraag die beantwoord moet worden die naar de rechtsmacht en bevoegdheid
van de Commissie en het toepasselijke recht in deze zaak.(zie ook het
onderzoeksrapport van de externe deskundige, met name de bladzijden 38, 39,
41-43 en 47-50).

4.2. Regelgeving aangaande de rechtsmacht van de Commissie in zaken met
internationale aspecten ontbreekt. De Commissie zal op dit punt aansluiting
zoeken bij het systeem van rechtsmachtbepaling van de Nederlandse rechter. Zij
acht daartoe aanknopingspunten gelegen in artikel 14 lid 1 en lid 2 onder c
WGB waarin is bepaald dat de Commissie een oordeel kan geven op verzoek van
een rechter, die moet beslissen over een geschil op grond van artikel 1637 ij
BW of de WGB.

4.3. Nu geen contract tussen partijen tot stand is gekomen en hun
relatie direct in het begin van de sollicitatieprocedure al is verbroken
-derhalve in een zeer vroeg stadium van de precontractuele sfeer- zal de
Commissie een eventuele rechtsvordering in de onderhavige zaak kwalificeren
als een vordering uit onrechtmatige daad. Daarom knoopt de Commissie aan bij
de bevoegdheidsregels terzake van de onrechtmatige daad. Een verdrag waarin de
bevoegde rechter wordt aangewezen in een geschil, waarbij Nederland en de
Nederlandse Antillen betrokken zijn, ontbreekt. Artikel 126 lid 3 Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering biedt echter wel een aanknopingspunt. Verzoekster
woonde ten tijde van de sollicitatie in Nederland terwijl de wederpartij geen
woonplaats had in Nederland, zodat op grond van het bepaalde in evengenoemd
artikelonderdeel de rechter van de woonplaats van de eisende partij -dus van
verzoekster- bevoegd is om kennis te nemen van een eventuele vordering uit
onrechtmatige daad. Dientengevolge acht de Commissie zich bevoegd in deze een
oordeel te geven.

4.4. Voor wat betreft het toepasselijke recht is volgens internationaal
privaatrecht ingeval van onrechtmatige daad in beginsel de lex loci delicti
van toepassing, dat wil zeggen de plaats van handelen of nalaten.

De Commissie stelt vast dat in casu de werving en selectie wel en de
aanstelling niet in Nederland heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat ten
aanzien van de werving en selectie het Nederlandse recht kan worden
toegepast.

4.5. Op grond van het bovenstaande zal de Commissie een oordeel
uitspreken over de volgende vraag:

heeft de wederpartij bij de aanbieding van de betrekking en/of bij de
behandeling bij de vervulling van de openstaande betrekking onderscheid
gemaakt op grond van geslacht in strijd met de WGB?

4.6. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid
op grond van geslacht bij de aanbieding van een betrekking en bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking. In artikel 5 WGB
worden twee uitzonderingen op dit verbod genoemd. Het maken van onderscheid op
grond van geslacht is toegestaan wanneer een voorkeursbeleid voor vrouwen
wordt gevoerd of wanneer een functie geslachtsbepaald is.

Ingeval het vermoeden bestaat dat een verboden indirect onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt, kan degene die dit onderscheid maakt, aantonen dat
sprake is van een objectieve rechtvaardiging. Hieronder wordt verstaan dat het
onderscheid wordt gemaakt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en
daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te
bereiken, terwijl dit doel niet is te bereiken op andere wijze, waarbij geen
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt. (zie ook Comissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid d.d. 5 maart 1990,
oordeelnummer 1-90-10 of d.d. 4 april 1991, oordeelnummer 339-91-16.) Wanneer
een objectieve rechtvaardiging wordt aangenomen, wordt het verboden karakter
aan het gemaakte onderscheid ontnomen.

4.7. Ten aanzien van de aanbieding van de betrekking overweegt de
Commissie als volgt.

De wederpartij heeft in de personeelsadvertentie aan sollicitanten
gevraagd hun burgerlijke staat te vermelden. Deze burgerlijke staat speelde in
de selectieprocedure een zodanige rol dat vrouwen aan meer eisen moesten
voldoen dan mannen om voor uitzending in aanmerking te komen (zie ook onder
4.8.). Dit roept een vermoeden op van indirect onderscheid. Zoals gezegd is er
geen sprake van verboden indirect onderscheid naar geslacht wanneer voor dit
te maken onderscheid een objectieve rechtvaardiging kan worden aangevoerd. De
Commissie constateert dat het in casu beoogde doel van de vraag naar de
burgerlijke staat in de advertentie, het uitsluiten van bepaalde categorieen
vrouwen -gehuwde vrouwen en ongehuwde vrouwen met kinde- ren-, niet als
objectief gerechtvaardigd kan worden aangemerkt.

4.8. Met betrekking tot de behandeling bij de vervulling van de
openstaande betrekking overweegt de Commissie als volgt.

Zoals gezegd werden aan vrouwelijke sollicitanten meer eisen gesteld dan
aan mannelijke. Voor mannelijke sollicitanten was hun burgerlijke staat en de
vraag of zij kinderen hadden irrelevant. Vrouwen echter konden enkel voor
uitzending in aanmerking komen wanneer zij ongehuwd en kinderloos waren.

Verzoekster, een gehuwde vrouw, kon derhalve niet voor uitzending in
aanmerking komen. Wederpartij heeft aangevoerd dat verzoekster voor de functie
is afgewezen omdat zij niet de bevoegdheid Economie II bezat. De Commissie
stelt echter vast dat de wederpartij -naar ook is erkend in de brief van 4
november 1990- voor vrouwelijke sollicitanten in de selectieprocedure als
eerste voorwaarde hanteerde dat zij ongehuwd en kinderloos waren. Wederpartij
wilde immers rekening houden met de in de Landsverordening en door de
Gezaghebber vastgestelde regels voor toelating van vrouwen tot de Nederlandse
Antillen. Pas daarna kon voor vrouwelijke sollicitanten de vraag aan de orde
komen of zij ook bevoegd waren voor de functie waarnaar zij solliciteerden.

De Commissie concludeert dan ook dat de wederpartij verzoekster in
eerste instantie om reden van haar geslacht heeft afgewezen voor de functie.

De wederpartij heeft ter rechtvaardiging van haar handelwijze een beroep
gedaan op de Landsverordening en het toelatingsbeleid van de Gezaghebber van
het eiland. Dit beroep kan echter niet slagen. Het moge zo zijn dat de
wederpartij zich gedwongen voelde haar beleid hierop af te stemmen, dit neemt
echter niet weg dat zij haar eigen verantwoordelijkheid heeft voor de naleving
van de WGB. Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat een van de in deze
Wet genoemde uitzonderingsgronden van toepassing zou zijn.

Daarmee staat vast dat de wederpartij zowel bij de aanbieding van de
betrekking als bij de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekking heeft gehandeld in strijd met artikel 3 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting … te
Curacao, Nederlandse Antillen, bij de aanbieding van de betrekking en bij de
behandeling bij de vervulling van de openstaande betrekking, jegens mevrouw
drs … te Amsterdam onderscheid naar geslacht heeft gemaakt, in strijd met
artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. E.F.A. van Buitenen; drs. C.M. Sjerps, secretaris