Instantie: Rechtbank Breda, 5 juni 1991

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


De 51-jarige vrouw P.J.M.V. is van haar 12e tot haar 21ste jaar seksueel
misbruikt door haar zwager. Op haar 45ste jaar komt zij met haar verhaal naar
buiten. Het feit is inmiddels verjaard. Omdat zijn geen aangifte kon doen,
heeft zij op briefkaarten die zij aan de buren van haar zwager stuurde, haar
zwager van incest beschuldigd.

Het OM heeft de vrouw wegens smaad vervolgd. De rechtbank ontslaat de
vrouw van alle rechtsvervolging omdat in casu de gekozen actie een
gerechtvaardigd middel is geweest om de kwestie van de (korte)
verjaringstermijn in verband met de lange verwerkingstijd van incest aan de
orde te stellen. (Zie ook elders in dit nummer Gerdie Ketelaars,
Verjaringstermijn incest.)

Volledige tekst

1. Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in
het arrondissement Breda tegen:

V.,

heeft de vijfde kamer van de arrondissementsrechtbank te Breda het
volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter
terechtzitting.

Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het
verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsvrouwe.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1) zij in of omstreeks de periode 30 mei 1990 – 2 juni 1990 in de
gemeente(n) Breda en/of Roosendaal, althans in de gemeente Peize, opzettelijk
de eer en goede naam heeft aangerand van de heer A., zulks door telastlegging
van een bepaald feit, te weten: “incest”, met het kennelijke doel daaraan
ruchtbaarheid te geven,

hebbende zij daar toen met voormeld oogmerk, opzettelijk -via de P.T.T.-
een (brief-)kaart aan het adres van de buren van die A. laten bezorgen, zulks
terwijl zij op die (brief-)kaart (onder meer) had geschreven: “aan incestdader
A.” en/of: jouw incestslachtoffer, de zus van je vrouw” en/of: “helse
driehoeksverhouding in de intimiteit van het gezin”;

zulks terwijl dit geschiedde door middel van een geschrift, te weten:
die (brief-)kaart, welke verspreid door middel van opzettelijke verzending
(door haar, verdachte, via de P.T.T.) aan het adres van de buren van die A.;

2) dat zij op verschillende of een tijdstip(-pen) in of omstreeks de
periode 7 – 10 september 1990, althans in of omstreeks de maand september
1990, in de gemeente(n) Breda en/of Roosendaal, althans in de gemeente Peize,
(telkens) opzettelijk de eer en goede naam heeft aangerand van de heer A.,
zulks door telastlegging van (een) bepaald(e) feit(en), te weten: “incest”
en/of/respectievelijk: “seksuele kindermishandeling” met het kennelijke doel
daaraan ruchtbaarheid te geven, hebbende zij daar toen (telkens) met voormeld
oogmerk, (telkens) opzettelijk -via de P.T.T.- (een) (brief-)kaart(en) aan
de/het adres(sen) van de buren van die A. laten bezorgen, zulks terwijl zij op
die (brief-)kaart(en) (onder meer) had geschreven: “aan de dader van seksuele
kindermishandeling A.”en/of: “Incest is op poging tot moord na, de vorm met de
meest vernietigende consequenties! afzender: Jouw incestslachtoffer: Paula V.,
de zus van jouw vrouw” en/of/respectievelijk: “Tegoedbon voor de straf die jij
behoort te krijgen voor jouw destructieve wandaden, zonder remming of wroeging
gepleegd! Afzender: het meisje dat jij seksueel misbruikte. De zus van jouw
vrouw: P.V.”;

Subsidair, indien het vorenstaande onder 2. niet tot een veroordeling
mocht leiden:

dat zij op verschillende of een tijdstip(-pen) in of omstreeks de
periode 7 – 10 september 1990, althans in of omstreeks de maand september
1990, in de gemeente(n) Breda of Roosendaal, althans in de gemeente Peize,
(telkens) opzettelijk de eer en goede naam heeft aangerand van de heer A.,
zulks door telastlegging van (een) bepaald(e) feit(en), te weten: “incest”
en/of/respectievelijk: “seksuele kindermishandeling”, met het kennelijk doel
daaraan ruchtbaarheid te geven, hebbende zij daar toen (telkens) met voormeld
oogmerk, (telkens) opzettelijk -via de P.T.T.- (een) (brief-)kaart(en) aan
de/het adres(sen) van de buren van die A. laten bezorgen, zulks terwijl zij op
die (brief-) kaart(en) (onder meer) had geschreven: “aan de dader van seksuele
kindermishandeling A.”en/of; “Incest is op poging tot moord na, de vorm met de
meest vernietigende consequenties! afzender; Jouw incestslachtoffer: P.V., de
zus van jouw vrouw” en/of/respectievelijk: “Tegoedbon voor de straf die jij
behoort te krijgen voor jouw destructieve wandaden, zonder remming of wroeging
gepleegd! Afzender: het meisje dat jij seksueel misbruikte. De zus van jouw
vrouw: P.V.”,

zulks terwijl dit (telkens) geschiedde door middel van (een)
geschrift(en), te weten: die (brief-)kaart(en), welke werd(en) verspreid door
middel van opzettelijke verzending (door haar, verdachte, via de P.T.T.)
aan/de adres(sen) van de buren van die A.:

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan
alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten
laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken,
die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij
kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing
der vervolging gebleken.

7. De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de
rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1) in de periode 30 mei 1990 – 2 juni 1990 in de gemeente Peize,
opzettelijk de eer en goede naam heeft aangerand van de heer A., zulks door
telastlegging van een bepaald feit, te weten: “incest”, met het kennelijke
doel daaraan ruchtbaarheid te geven,

hebbende zij daar toen met voormeld oogmerk, opzettelijk -via de P.T.T.-
een (brief-)kaart aan het adres van de buren van die A. laten bezorgen, zulks
terwijl zij op die (brief-)kaart had geschreven: “aan incestdader A.” en: jouw
incestslachtoffer, de zus van je vrouw”.

Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd
dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet
bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde
heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in
de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit,
waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1. De bewijsmiddelen.

9. De benoeming van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende
misdrijf op:

1) primair en 2) primair telkens: Smaad.

10. De strafbaarheid van de feiten

Het opzettelijk versturen van de kaarten door verdachte had ten doel
ruchtbaarheid te geven aan het feit dat A. vroeger incest met haar had
gepleegd.

Op grond van de verklaring van verdachte bij de rechter- commissaris, de
deskundigenverklaringen en de verklaring van de ex-echtgenoot van verdachte,
acht de rechtbank aangetoond dat verdachte te goeder trouw kon aannemen dat
het ten laste gelegde waar was.

Verdachte heeft verklaard met haar handelen een aantal belangen voor
ogen te hebben gehad: haar persoonlijk belang bij erkenning van het gepleegde
onrecht door de dader en haar familie en het algemeen belang, bestaande in het
vragen van aandacht voor vrouwen in vergelijkbare situaties, het overwinnen
van de drempel tot het doen van aangifte en het verlengen van de
verjaringstermijn van 12 jaar, die voor dit soort feiten te kort zou zijn.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de gepleegde smaad voorop, dat
het enkele feit dat iemand slachtoffer is van een ernstig misdrijf, waarvan de
strafvordering is verjaard, nog niet rechtvaardigt om opzettelijk de eer en de
goede naam van de dader aan te randen door ruchtbaarheid te geven aan het
strafbare feit. In het onderhavige geval oordeelt de rechtbank echter dat de
gekozen actie een gerechtvaardigd middel is geweest om een ernstig en algemeen
probleem – de lange verwerkingstijd van incest voor slachtoffers en de uit dat
oogpunt korte verjaringstermijn voor dergelijke delicten – onder de
maatschappelijke aandacht te brengen.

Jarenlang heeft verdachte gehoopt op erkenning door de dader en door
haar familie. Zij vond bij hen geen gehoor. In de laatste jaren, toen er meer
inzicht en bekendheid ontstond over incest heeft zij pas aangifte van het feit
kunnen doen, maar het bleek toen al verjaard te zijn. Pogingen om over deze
problematiek de publiciteit te zoeken, mislukten.

Onder die omstandigheden heeft zij haar toevlucht gezocht tot het
versturen van de kaarten aan de buren van A., opdat zij, zoals zij ter
terechtzitting heeft verklaard, de dader kon teruggeven aan de maatschappij.
Daarbij was zij zich ervan bewust dat een strafproces het gevolg kon zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat verdachte te
goeder trouw kon aannemen, dat het algemeen belang de telastelegging eiste.

Tevens acht de rechtbank de gekozen middelen in verhouding tot het door
haar ervaren leed en onrecht en tot het door haar nagestreefde doel, redelijk
en proportioneel.

De rechtbank acht overeenkomstig art. 261 lid 3 van het Wetboek van
Strafrecht de gepleegde smaad niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van
rechtsvervolging.

11. De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder
7. is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte 1. primair en 2.
primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard
en spreekt haar daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde geen strafbare feiten
oplevert.

Zij ontslaat verdachte van rechtsvervolging.

Rechters

Mrs van Beek, Van der Poel, Streefkerk