Instantie: Rechtbank Haarlem, 26 april 1991

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Uit de relatie van verzoekers is, binnen 306 dagen na de ontbinding van
het huwelijk van de moeder, een dochter geboren.

De vader wil het kind erkennen en de moeder ontkent het vaderschap van
haar ex-echtgenoot. De ouders zijn niet van plan met elkaar te trouwen
waardoor de erkenning van de vader en de ontkenning van de moeder niet het
door de ouders gewenste gevolg kan hebben.

Volgens de rechtbank kan, gezien de maatschappelijke en juridische
ontwikkelingen, de huwelijkseis niet strekken tot bescherming van de belangen
van het kind en is deze derhalve in casu in strijd met de artikelen 8 en 14
EVRM.

Volledige tekst

1. De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende
stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

-het op 1 november 1990 ter griffie van deze rechtbank ontvangen
verzoekschrift met bijlagen,

-de op 7 februari 1991 ter griffie ontvangen conclusie van de officier
van Justitie in dit arrondissement,

-het proces-verbaal van de zitting van deze rechtbank van 1 maart 1991
waar deze zaak is behandeld,

-de handgeschreven pleitnotities van mr. A.W.M. Willems, advocaat te
Amsterdam, raadsman van de ouders,

-de op 7 maart 1991 ter griffie ontvangen brief van J. Stuve, ambtenaar
van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlem, met bijlagen.

2. Feiten en omstandigheden

2.0. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is onder
meer het volgende gebleken.

2.1. De moeder is gehuwd geweest met C. Dit huwelijk is op …..1990
ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van
de burgerlijke stand te ….

2.2. De ouders hebben van februari 1990 tot december 1990 samengewoond.
Sedert december 1990 onderhouden zij een LAT-relatie.

2.3. Op 15 juni 1990 heeft de moeder tegenover de ambtenaar van de
burgerlijke stand te Haarlem ontkend dat het kind waarvan zij zwanger was, het
kind was van C. De vader heeft bij dezelfde akte dat kind erkend.

2.4. Uit de relatie van de ouders is op 18 juli 1990 een dochter
geboren. Op aangifte van de vader heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand
van Haarlem opgemaakt akte nummer … met onder meer als inhoud:

“Op achttien juli negentienhonderd negenennegentig, te …uur,
…minuten, is geboren in de gemeente…, dochter D. van de vroegere
echtgenoten: C., en A. wonende te Haarlem.”

2.5. De raadsman van de ouders heeft bij brief van 24 juli 1990
voormelde ambtenaar verzocht deze akte te wijzigen zodanig dat daar onder meer
uit zou blijken dat D. is het natuurlijk kind van de moeder en het natuurlijk
erkend kind van de vader. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft
geweigerd aan dit verzoek gevolg te geven.

2.6. C. heeft onder rolnummer bij deze rechtbank een vordering
aanhanging gemaakt tot ontkenning van zijn vaderschap ten aanzien van D. In
die zaak wordt niet voortgeprocedeerd in afwachting van de uitkomst van deze
procedure.

2.7. D. woont thans bij haar moeder; de vader ziet D. iedere dag en is
nauw bij haar opvoeding betrokken.

3. Het verzoek

3.1. De ouders verzoeken – na aanvulling van hun verzoekschrift ter
zitting – de ambtenaar van de burgerlijke stand te Haarlem te gelasten:

– voormelde geboorteakte van D door te halen;

– in plaats daarvan een akte op te maken waaruit – kort gezegd – blijkt
dat D de dochter is van de ouders;

– de kantmelding ex art. 1:29 lid 3 BW voor niet-geschreven te houden in
gevallen waarin door de ambtenaar een compleet afschrift of uittreksel wordt
verstrekt;

– art. 1:17 lid 1 sub c BW buiten toepassing te laten.

3.2. De ouders voeren aan dat zij niet voornemens zijn (op korte
termijn) met elkaar te huwen, waardoor eerdergenoemde ontkenning door de
moeder en erkenning door de vader ingevolge art. 1:198 lid 3 BW niet het door
de ouders gewenste gevolg kan hebben. Naar de mening van de ouders wordt
daardoor in strijd met art. 8 EVRM belet dat er een familierechtelijke band
ontstaat tussen D en haar vader.

Voorts voeren zij aan dat het verschil dat de wetgever in art. 1:198 lid
3 BW maakt tussen gehuwden en niet-gehuwden is achterhaald door
maatschappelijke ontwikkelingen en daarom niet gerechtvaardigd is.
Laatstgenoemd artikel is derhalve bovendien in strijd met het in art. 14 EVRM
neergelegde verbod van discriminatie.

3.3. Ten aanzien van hun verzoek de kantmelding ex art. 1:29 lid 3 BW
voor niet-geschreven te houden hebben de ouders aangevoerd dat zulks
noodzakelijk is ten einde de privacy van D te waarborgen. De ouders wijzen
erop dat op die manier nimmer iets anders aan D bekend hoeft te worden dan dat
zij in familierechtelijke betrekking heeft gestaan en staat tot de vader. Ook
de grootouders van D – die volgens de ouders niet op de hoogte zijn van het
feit dat D binnen 306 dagen na ontbinding van het huwelijk van de moeder met C
is geboren – behoeven op die manier niet te ervaren welke de werkelijke gang
van zaken is geweest.

4. Beoordeling van het verzoek

4.1. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden staat vast dat er
een zodanig nauwe feitelijke band bestaat tussen D en haar vader dat er sprake
is van ‘family life’ als bedoeld in art. 8 EVRM. Deze relatie dient derhalve
zo veel mogelijk te worden erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking.
Art. 1:198 lid 3 BW vormt in dit geval een beletsel nu immers de ouders niet
(voornemens zijn te) voldoen aan de in dat artikel gestelde huwelijkseis.

4.2. De vraag die thans voorligt is of de huwelijkseis in voormeld
artikel gerechtvaardigd is. De ratio van deze eis is te voorkomen dat een kind
door ontkenning door de moeder en erkenning door de vader in een minder
gunstige positie zou komen dan daarvoor, namelijk in plaats van wettig kind
zou worden natuurlijk (erkend) kind.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat door maatschappelijke
ontwikkelingen het al dan niet hebben van de status van wettig kind aan belang
heeft ingeboet. In de huidige omstandigheden komt het veelvuldig voor dat
kinderen geboren worden uit ouders die ongehuwd zijn. Door onder meer de
ontwikkelingen van de rechtspraak ter zake is de positie van met name erkende
natuurlijke kinderen vrijwel gelijk aan die van wettige kinderen, zodat de
huwelijkseis in bedoeld artikel niet langer is gerechtvaardigd aangezien die
eis niet kan strekken tot bescherming van de belangen van het kind.

4.4. Nu niet is gebleken van andere, met name publiekrechtelijke,
belangen die bescherming vinden in voormeld artikel komt de rechtbank tot het
oordeel dat art. 1:198 lid 3 BW in dit geval in strijd is met de artt. 8 en 14
EVRM en derhalve buiten toepassing dient te worden gelaten. Daaruit volgt dat
het verzoek van de ouders tot doorhaling van vorenbedoelde akte en opmaking
van een nieuwe akte toewijsbaar is. De rechtbank verwerpt daarmee de
andersluidende conclusie van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank wijst er daarbij op dat een materieel gelijk resultaat zou
kunnen worden bereikt wanneer C zijn ontkenningsaktie zou doorzetten. Terecht
hebben de ouders erop gewezen dat het niet juist is dat zij afhankelijk zouden
zijn van het al dan niet instellen van die aktie.

4.5. Ter zitting is onder meer op grond van inlichtingen van J. Stuve,
ambtenaar van de burgerlijke stand van Haarlem, gebleken dat de formulering
van het petitum – voor zover betrekking hebbend op art. 1:198 BW – niet
voldoet aan eisen die te stellen zijn aan een deugdelijke akte. De rechtbank
heeft daarom ter zitting, voor het geval zij het verzoek zou toewijzen, met
instemming van de ouders, voornoemde ambtenaar verzocht haar voor te lichten
omtrent een tekst die wel voldoet aan deze eisen.

In voormelde op 7 maart 1991 ter griffie ontvangen brief heeft de
ambtenaar aan dit verzoek voldaan. De rechtbank kan zich met de inhoud van die
brief voor zover betrekking hebbend op de tekst van de akte verenigen en zal
die als uitgangspunt nemen voor haar hierna te geven beslissing.

4.6. De rechtbank verwerpt het betoog van de ouders dat bij afgifte van
een volledig afschrift of uittreksel als bedoeld in art. 1:28 lid 2 BW de
kantmelding voor niet-geschreven dient te worden gehouden teneinde de privacy
van D te waarborgen. Slechts in geval van een bijzonder zware en derhalve
niet- gerechtvaardigde inbreuk op de privacy is er grond een maatregel met
deze strekking te gelasten. De ouders hebben niet aannemelijk gemaakt dat
zulks in deze zaak het geval is. De rechtbank merkt daarbij op dat – anders
dan de ouders blijkbaar menen – D er (op den duur) recht op heeft te ervaren
onder welke omstandigheden haar geboorte heeft plaatsgevonden; het kan dus
niet in het belang van D zijn dat de ouders wensen te verhinderen dat deze
informatie haar zal kunnen bereiken. Dat de grootouders thans onkundig zijn en
naar de mening van de ouders ook moeten blijven, van de juridische situatie
ten tijde van de geboorte van D is evenmin voldoende grond voor inwilliging
van dit verzoek.

4.7. Het verzoek van de ouders tot buitentoepassinglating van art. 1:17
lid c BW is onvoldoende onderbouwd en heeft voorts naar het oordeel van de
rechtbank geen zelfstandige betekenis in het licht van hetgeen zij hierna zal
beslissen, zodat dat verzoek geen bespreking behoeft.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1. Gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van Haarlem:

a. de doorhaling van aktenummer …, voorkomende in het register van de
geboorten van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlem over het jaar 1990,
relaterende de geboorte op … van het kind D;

b. de aanvulling van het ‘lopende’ register van geboorten van de
Burgerlijke stand te Haarlem met een akte luidende:

‘Op … negentienhonderdnegentig, te … uur … minuten, is geboren in
de gemeente Haarlem, D, dochter van B en A, beiden wonende te Haarlem. Dit
kind is op … door de vader voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van
Haarlem erkend.

5.2. Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Rechters

Mr Huijzer, plaatsvervangend lid van de enkelvoudige kamer.