Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage, 22 maart 1991

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Hotelschool laat jaarlijks 120 mannelijke en 120 vrouwelijke studenten
tot de opleiding toe, terwijl zich meer vrouwelijke dan mannelijke studenten
aanbieden. Belangenbehartigende organisatie stelt in kort geding dat de
Hotelschool met dit selectiebeleid onderscheid maakt naar geslacht. De
President betrekt in beoordeling van het geschil onder andere “dat het
fifty-fifty toelatingsbeleid een gunstig effect heeft op de positie op de
arbeidsmarkt van haar afgestudeerden en dat het juist de vrouwelijke
afgestudeerden zijn die daar het meeste van profiteren” en “haar (Hotelschool)
verklaring dat de belangstelling van het bedrijfsleven voor afgestudeerden aan
een “meisjesschool” sterk zou teruglopen, kan bij de huidige stand van zaken
niet zonder meer terzijde worden gesteld”. Volgt verwijzing van het geschil
naar de bodemrechter onder andere omdat het gaat om een complex probleem en
dat toewijzing daarvan verstrekkende gevolgen voor gedaagde en al degenen die
een opleiding aan de Hotelschool (zullen gaan) volgen, zal hebben.

Volledige tekst

1. De feiten

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 maart 1991
staat het navolgende tussen partijen vast:

– Eiseres is een stichting die zich blijkens haar statuten ten doel
stelt het bevorderen van een pluriforme maatschappij waarin ieder, ongeacht
sekse of burgerlijke staat, de mogelijkheid heeft een zelfstandig bestaan te
verwerven en waarin vrouwen en mannen gelijke rechten, kansen, vrijheden en
verantwoordelijkheden kunnen realiseren. Zij tracht dit doel onder meer te
verwezenlijken door het in of buiten rechten optreden ter handhaving van wet-
en regelgeving op het terrein van gelijke behandeling en
discriminatiebestrijding.

– Op 23 maart 1990 heeft eiseres zich tot de Commissie
gelijkebehandeling van mannen en vrouwen (verder te noemen: de Commissie)
gewend met het verzoek een oordeel te geven over het toelatingsbeleid van de
door gedaagde instandgehouden onderwijsinstelling Hotelschool Den Haag.

– De Commissie heeft op 10 januari 1991 als haar oordeel uitgesproken
dat het College van Bestuur van de Hogere Hotelschool te Den Haag onderscheid
naar geslacht maakt bij de toelating tot de opleiding in strijd met art. 4 lid
2 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (verder te noemen:
WGB).

– De aanmeldingstermijn voor studenten bij de Hotelschool Den Haag voor
het komende studiejaar loopt af op 1 maart 1991. In de loop van de maand maart
vindt de selektie van de studenten plaats. Gedaagde is – voorshands – niet van
plan naar aanleiding van het oordeel van de Commissie haar toelatingsbeleid
aan te passen.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert gedaagde – op straffe van een dwangsom – te verbieden om
bij de toelating van studenten voor de Hotelschool Den Haag onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen.

Eiseres voert hiertoe het navolgende aan: Er melden zich jaarlijks 1200
a 1500 studenten aan bij de Hotelschool Den Haag. Daarvan worden 240 studenten
toegelaten. Alhoewel het aantal vrouwelijke personen dat zich aanmeldt, het
aantal mannelijke personen overtreft, kiest de Hotelschool Den Haag ervoor
evenveel mannen toe te laten als vrouwen door uit de groep van vrouwelijke
kandidaten 120 studenten te kiezen en uit de groep van mannelijke kandidaten
eenzelfde aantal. Dit beleid is in strijd met art. 4 lid 2 van de WGB en dus
onrechtmatig, aldus eiseres.

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Eiseres is, aldus gedaagde,
gezien de inhoud van art. 20a lid 2 van de WGB en gezien de inhoud van art.
291 Wetboek van Rechtsvordering, niet ontvankelijk.

Gedaagde stelt zich – naast bovengenoemd processueel verweer – op het
standpunt dat het toelatingsbeleid van de Hotelschool Den Haag niet in strijd
is met art. 4 lid 2 van de WGB. Het toelatingsbeleid is namelijk, aldus
gedaagde, een indirecte vorm van onderscheid, dat objectief gerechtvaardigd is
(vide art. 1 van de WGB). Voorts stelt zij dat de eigen aard van de instelling
zich tegen het niet maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de
toelating tot de opleiding verzet (vide art. 4 lid 3 van de WGB).

Tot slot doet zij een beroep op art. 5 lid 1 van de WGB. Zij stelt
daaromtrent dat haar toelatingsbeleid uiteindelijk beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen, teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen. Het gehanteerde toelatingsbeleid heeft tot gevolg dat jaarlijks een
gelijk aantal goed gekwalificeerde mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt
komen.Er bestaat thans in de horeca-sector een evenwichtige verdeling tussen
mannen en vrouwen. Wanneer de Hotelschool Den Haag haar toelatingsbeleid los
laat en haar school tot een “meisjesschool” laat ontwikkelen, zal de
positieverbetering die vrouwen in de afgelopen jaren hebben weten te bereiken,
in een klap teniet gedaan worden, aldus gedaagde.

3. Beoordeling van het geschil

Partijen zijn verdeeld over de vraag of het toelatingsbeleid van de
Hotelschool Den Haag in strijd is met het bepaalde in de wetgeving inzake
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Vast staat dat gedaagde bij haar toelatingsbeleid het onderscheid tussen
mannen en vrouwen een rol laat spelen. Het is zeer de vraag of deze wijze van
handelen zich laat rijmen met de op dit gebied bestaande wettelijke
regelgeving. Veelzeggend is dat de Commissie gelijke behandeling na een
uitgebreid onderzoek tot de uitvoerig gemotiveerde conclusie is gekomen dat
dit niet het geval is.

Anderzijds moet niet uit het oog worden verloren dat gedaagde, naar ter
zitting is komen vast te staan, in 1976 – toen het aantal mannelijke
adspirant-leerlingen het aantal vrouwelijke kandidaten beduidend overtrof –
vanuit haar visie op de opleiding voor hogere management-functies in de horeca
zeer bewust heeft gekozen voor een toelating van gelijke aantallen mannen en
vrouwen. Zij heeft dit beleid vervolgens steeds gestand gedaan, waarbij zich
eerst in het midden van de jaren tachtig een omslag heeft voorgedaan in die
zin dat sedertdien de vrouwelijke kandidaten de mannelijke in aantal zijn gaan
overtreffen. Hieruit blijkt genoegzaam dat het beleid van gedaagde zeker niet
louter is gericht op het buiten de deur houden van vrouwen.

Ook verdient aandacht het betoog van gedaagde dat het fifty-fifty
toelatingsbeleid een gunstig effect heeft op de positie op de arbeidsmarkt van
haar afgestudeerden en dat het juist de vrouwelijke afgestudeerden zijn die
daar het meeste van profiteren.

Haar verklaring dat de belangstelling van het bedrijfsleven voor
afgestudeerden aan een “meisjesschool” sterk zou teruglopen kan bij de huidige
stand van zaken niet zonder meer terzijde worden gesteld.

Duidelijk is dan ook dat de vordering van eiseres raakt aan een complex
probleem en dat toewijzing daarvan verstrekkende gevolgen voor gedaagde en al
degenen – mannen en vrouwen – die een opleiding aan de Hotelschool (zullen
gaan) volgen, zal hebben. Temeer nu hier sprake is van een beleid dat al
ettelijke jaren wordt gevoerd zonder dat ooit, zelfs nu niet, van enige
oppositie daartegen van direct belanghebbenden, zoals niet-toegelaten vrouwen,
is gebleken, lijkt het daarom juister om het geschil van partijen uitgaande
van de status quo door de bodemrechter te laten beslechten.

Eiseres zal, nu haar vordering niet wordt toegewezen, in de kosten van
de procedure worden veroordeeld.

4. Beslissing

De President:

Wijst de vordering van eiseres van de hand.

Veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, aan de zijde van
gedaagde begroot op ƒ 950,–.

Rechters

President mr A.H. van Delden