Instantie: Arrondissementsrechtbank ‘s-Hertogenbosch, 15 maart 1991

Instantie

Arrondissementsrechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Turks meisje wordt op staande voet ontslagen, omdat zij langer
vakantie had genomen dan was toegestaan. De reden was dat zij van haar vader
niet alleen in Nederland mocht achterblijven. De advocaat vindt dat de
werkgever daar rekening mee had moeten houden en vordert doorbetaling van het
loon, subsidiair schadevergoeding. De kantonrechter wijst de vordering af. In
hoger beroep bepaalt de rechtbank dat de vrouw de noodzaak van haar vakantie
beter had moeten motiveren en derhalve jegens haar werkgever onzorgvuldig
heeft gehandeld waardoor de werkgever een dringende reden voor ontslag had.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding in beide instanties

1.1. Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst de rechtbank
naar hetgeen dienaangaande is overwogen in het bestreden vonnis.

1.2. Na als voormeld van dat vonnis in hoger beroep te zijn gekomen heeft
principaal appellante Y. een memorie van grieven genomen en daarbij
geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot alsnog
toewijzing van haar vordering als ingesteld bij het inleidend
verzoekschrift.

1.3. Principaal geintimeerde HAM heeft vervolgens een memorie van antwoord,
tevens houdende incidenteel appel genomen en daarbij -in het principaal hoger
beroep- geconcludeerd tot (zo begrijpt de rechtbank) verwerping van het door
Y. ingestelde hoger beroep, en -in het incidenteel hoger beroep- tot
vernietiging van voormeld vonnis voorzover de vordering aan Y. is ontzegd en
tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van Y., zulks onder bekrachtiging
van dat vonnis voor het overige.

1.4. Vervolgens heeft Y. een akte houdende producties, tevens memorie van
antwoord in het incidenteel appel genomen en daarbij geconcludeerd tot
verwerping van het door HAM ingestelde incidenteel hoger beroep, waarna HAM
een akte houdende uitlating producties heeft genomen.

1.5. Tenslotte hebben partijen de processtukken, waaronder producties,
overgelegd voor vonnis.

2. De gronden van het principaal hoger beroep en van het incidenteel hoger
beroep

2.1. Y. heeft in het principaal hoger beroep tegen voormeld vonnis de
navolgende grieven aangevoerd:

I. “Ten onrechte overweegt de Kantonrechter (onderaan pagina 2 e.v.) dat Y.
de mededeling dat zij niet meer op het werk behoefde te verschijnen
overeenkomstig de bedoelingen van HAM heeft verstaan als een ontslag op
staande voet.”

II. “Ten onrechte overweegt de Kantonrechter of (lees: dat, rb.) het enkele
voornemen van Y. om na vrijdagmiddag 10 juli tot 1 september 1987 vakantie op
te nemen niettegenstaande de door HAM daartegen geuite bezwaren, een
ontslagreden met een voldoende dringend karakter heeft.”

III. “Ten onrechte overweegt de Kantonrechter dat de bezwaren van HAM tegen
de vakantieplannen van Y. volledig terecht waren aangezien zij bij het begin
van de vakantie slechts 10 vakantiedagen, zijnde 2 weken in plaats van de
benodigde 7 weken, had opgebouwd. Zulks temeer nu de aankondiging van de
vakantie eerst op het allerlaatste ogenblik werd gedaan.”

2.2. HAM heeft in het incidenteel hoger beroep tegen voormeld vonnis de
navolgende grief aangevoerd:

“Ten onrechte overweegt de Kantonrechter te Helmond, dat het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 een beperking tot arbeidsovereenkomsten voor
onbepaalde tijd niet kent, en ook in de literatuur over arbeidsrecht een
zodanige beperking niet aanvaard.”

3. De beoordeling van het principaal hoger beroep en van het incidenteel
hoger beroep

3.1. Het (principaal) hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2. Op basis van de stukken van het geding en van hetgeen door de
kantonrechter te dier zake -onbestreden- is overwogen staat in rechte het
navolgende vast.

Y. (geboren op 15 april 1969) is op grond van een tussen partijen gesloten
arbeidsovereenkomst als productie-medewerkster in dienst getreden van HAM
voor de periode van 26 januari 1987 tot 1 januari 1988, zulks tegen het
minimum-jeugdloon.

Bij brief van 26 mei 1987 (in fotocopie als productie bij antwoord in prima
overgelegd) heeft de Voedingsbond FNV HAM namens Y. verzocht accoord te gaan
met een vakantie van 16 juli 1987 tot 1 september 1987, zonodig ten dele in
de vorm van onbetaald verlof, waarop HAM bij schrijven aan genoemde bond van
29 mei 1987 (eveneens in fotocopie als productie bij antwoord in prima
overgelegd) negatief heeft gereageerd.

Op 9 juli 1987 heeft Y. aan HAM medegedeeld dat zij de volgende dat na afloop
van de werktijd met haar familie naar Turkije zou vertrekken voor het aldaar
doorbrengen van de voorgenomen vakantie. HAM heeft dit aanvankelijk opgevat
als een verzoek om ontslag en Y. daarom een ontslagbewijs ter tekening
voorgelegd. Toen zij weigerde dit te ondertekenen en te kennen gaf ongeacht
toestemming of weigering van HAM toch de volgende dag met vakantie te zullen
vertrekken, heeft HAM haar aangezegd dat zij niet meer op het werk behoefde
te verschijnen, waarna zij naar huis is gegaan en de volgende dag niet op het
werk is verschenen.

Bij schrijven van haar raadsman van 10 juli 1987 (in fotocopie als productie
2 bij het inleidend verzoekschrift overgelegd) heeft Y. HAM te kennen gegeven
voormelde aanzegging te beschouwen als een ontslag op staande voet, en
daarvan de nietigheid in te roepen wegens het ontbreken van de vereiste
toestemming van de
Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau en de afwezigheid van een
dringende reden in de zin van (artikel 1639p van) het Burgerlijk Wetboek.

Nadat zij van 10 juli 1987 tot en met 31 augustus 1987 met haar familie op
vakantie in Turkije was geweest, heeft Y. zich op 1 september 1987 bij HAM
gemeld, waarop deze haar de toegang tot het werk heeft geweigerd.

Y. vorderde en vordert, kort gezegd, primair doorbetaling van loon vanaf 1
september 1987 tot en met 31 december 1987, zijnde ƒ 4.958,50, subsidiair de
schadeloosstelling als bedoeld in artikel 1639r BW tot voormeld bedrag.

3.3. De rechtbank zal eerst de in het incidenteel hoger beroep opgeworpen
grief bespreken, aangezien deze het verst strekkend is.

Genoemde grief strekt -zo begrijpt de rechtbank- ten betoge dat Y. niet in
haar primaire vordering kan worden ontvangen, omdat deze vordering is
gebaseerd op nietigheid van het gegeven ontslag wegens het ontbreken van
toestemming van de Directeur GAB, zulks terwijl het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 niet van toepassing is omdat in casu sprake is van
een niet-verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Voorts betoogt de
grief dat Y. alsdan, aangezien zij door het instellen van haar subsidiaire
vordering in strijd met hetgeen haar rechtens is toegestaan is teruggekomen
op haar eerder gedane onvoorwaardelijke keuze voor een beroep op de
nietigheid van het gegeven ontslag, ook niet-ontvankelijk in haar subsidiaire
vordering behoort te worden verklaard.

De rechtbank acht de grief ongegrond omdat -zoals de kantonrechter terecht
heeft overwogen- het BBA 1945 een beperking van zijn toepasselijkheid tot
arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd niet kent en overigens ook niet
valt in te zien waarom het uitgangspunt -als vervat in artikel 6 lid 1 BBA
1945- dat de individuele werknemer moet worden beschermd tegen onredelijke
beeindiging van de dienstbetrekking toepassing zou missen in een geval als
het onderhavige waarin een voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekking door
de werkgever eenzijdig voortijdig wordt verbroken.

Nu Y. in haar primaire vordering kan worden ontvangen, behoeft de vraag of
het haar vrijstond de onderhavige subsidiaire vordering in te stellen (in dit
kader) geen bespreking meer; het incidenteel hoger beroep zal worden
verworpen.

3.4. Ten aanzien van de eerste grief in het principaal hoger beroep welke
inhoudt dat Y. de op 9 juli 1987 gedane aanzegging door HAM dat zij niet meer
op het werk behoefde te verschijnen niet heeft beschouwd als een haar gegeven
ontslag op staande voet -en ook niet als zodanig heeft hoeven beschouwen-
omdat haar de reden van dit ontslag niet (onverwijld) was medegedeeld,
overweegt de rechtbank dat zij -met de kantonrechter en op de door deze
aangevoerde gronden als vervat in de overweging, beginnende in de laatste
alinea van pagina 2 van het bestreden vonnis, naar welke hier kortheidshalve
wordt verwezen- van oordeel is dat Y. genoemde aanzegging overeenkomstig de
bedoelingen van HAM heeft verstaan als een ontslag op staande voet, en dat de
reden van dat ontslag haar duidelijk moet zijn geweest; een uitdrukkelijke
mededeling van die (dringende) reden kon onder deze omstandigheden achterwege
blijven.

De grief is derhalve ongegrond.

3.5. De rechtbank zal de tweede en derde grief gezamenlijk bespreken, daar
zij beide -in essentie- inhoudend dat in casu geen sprake is van een
dringende reden als bedoeld in artikel 1639p BW.

In confesso is dat op de onderhavige arbeidsovereenkomst van toepassing zijn
de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de “Verordening lonen en andere
arbeidsvoorwaarden” van het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en
-Industrie. Artikel 26 lid 5 van deze voorwaarden bepaalt -kort gezegd- dat
de data van de vakantie door de werkgever en de werknemer in onderling
overleg worden vastgesteld.

In voormeld kader heeft Y. de hiervoor onder 3.2. vermelde brief van 26 mei
1987 aan HAM doen schrijven. HAM heeft blijkens haar brief van 29 mei 1987
geweigerd de vakantie in de gevraagde periode toe te staan, met als reden dat
bij de ondertekening van de arbeidsovereenkomst duidelijk was afgesproken dat
Y. in de maanden juli en augustus geen vakantie zou opnemen.

Los nu van de vraag of dit laatste inderdaad was overeengekomen (Y. bestrijdt
zulks), lag het vervolgens naar het oordeel van de rechtbank op de weg van Y.
haar (eventuele) zwaarwegende redenen om juist in de betreffende periode op
vakantie te gaan aan haar werkgeefster mede te delen, teneinde alsnog te
dezer zake tot overeenstemming te komen. Tussen partijen staat vast dat Y.
dit niet heeft gedaan; weliswaar zijn er in verband met deze kwestie
kennelijk enkele contacten geweest tussen HAM en een broer van Y. maar Y.
heeft niet gesteld dat haar broer bij deze gelegenheid die zwaarwegende
redenen -in het bijzonder die waarvan in de onderhavige procedure sprake is-
naar voren heeft gebracht. Het moet er derhalve -mede gelet op de daartoe
strekkende stelling van HAM- voor worden gehouden dat zulks niet is geschied;
HAM kon dus met die (thans aangevoerde) zwaarwegende redenen geen rekening
houden.

Daargelaten voorts de juistheid van de (door Y. bestreden) stelling van HAM
dat genoemde broer -uiteindelijk- heeft gezegd dat Y. niet mee naar Turkije
zou gaan en in Geldrop zou logeren, bestond er voor HAM tot 9 juli 1987 geen
aanleiding aan te nemen dat Y. toch in de door haar gewenste periode op
vakantie zou gaan, en mocht zij integendeel -gelijk zij ook heeft aangevoerd-
aannemen dat Y. zich bij de weigering had neergelegd.

Doch nu (eerst) op 9 juli 1987 simpelweg mede te delen dat zij de dag erna
(na het werk) toch op vakantie zou gaan -overigens nog enkele dagen eerder
dan waarvoor toestemming was gevraagd- en aldus volkomen eenzijdig haar
vakantiedata vast te stellen heeft Y. in zodanige mate de belangen van de
bedrijfsvoering van HAM (in het bijzonder het uit HAM’s brief van 29 mei 1987
af te leiden belang om in de maanden juli en augustus over voldoende
personeel te beschikken) genegeerd, dat van HAM redelijkerwijs niet geverd
kon worden de dienstbetrekking met haar te laten voortduren, daarbij in
aanmerking genomen dat het duidelijk was dat Y. ook bij gebreke van
toestemming van HAM niet op haar voogenomen plannen zou terugkomen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het HAM in de gegeven omstandigheden
vrijstond Y. opstaande voet te ontslaan.

De grieven zijn mitsdien ongegrond.

3.6. Aangezien ook alle in het principaal hoger beroep tegen het bestreden
vonnis opgeworpen grieven falen, zal het vonnis worden gekrachtigd.

Y. zal in de kosten van het principaal hoger beroep, HAM zal in de kosten van
het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.

4. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende in hoger beroep:

In het incidenteel hoger beroep:

Verwerpt het beroep;

Veroordeelt HAM in de kosten van het beroep, aan de zijde van Y. tot op heden
begroot op ƒ 260,= op de voet van artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.

In het principaal hoger beroep:

Bekrachtigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt Y. in de kosten van het beroep, aan de zijde van HAM tot op heden
begroot op ƒ 1.030,;

Rechters

Mrs. Thijsen, voorzitter; mrs. Leclercq en Smit, leden