Instantie: Hoge Raad, 8 februari 1991

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Als een omgangsregeling niet toewijsbaar is, kan de met het gezag beklede
ouder verplicht zijn inlichtingen betreffende het kind te geven. B en H
zijn in 1987 gescheiden. Het kind is na het echtscheidingsvonnis geboren
terwijl de man al eerder de echtelijke woning heeft verlaten. De man heeft
nooit met het kind samengewoond. In 1989 verzoekt de man aan de rechtbank
een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank wijst dit verzoek af.
De man gaat in hoger beroep en verzoekt primair het vaststellen van een
omgangsregeling, subsidiair een maandelijkse rapportage over het wel en
wee van het kind. Het Hof oordeelt dat de man, louter en alleen op grond
van biologisch vaderschap, zonder bijkomende omstandigheden aan te voeren,
niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot een omgangsregeling. Het verzoek
van de man, om de vrouw te verplichten hem over het welzijn van het kind
te informeren, steunt volgens het Hof niet op de wet, zodat de man in dat
verzoek evenmin ontvankelijk wordt verklaard. De man stelt daarop beroep
in cassatie in.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 15 maart 1989 gedateerd
verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen de man –
zich gewend tot de Rechtbank te Breda met verzoek een omgangsregeling vast
te stellen tussen hem en Hanna Rosa B., op 17 september 1987 te Breda
geboren uit het huwelijk van de man met verweerster in cassatie – verder
te noemen de vrouw – welk huwelijk op 11 augustus 1987 is geeindigd door
inschrijving van het vonnis van echtscheiding van 28 juli 1987. Nadat de
vrouw tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kinderrechter in de
Rechtbank bij beschikking van 16 augustus 1989 het verzoek van de man
afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij
het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Hij heeft het Hof Primair verzocht
alsnog een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en zijn dochter en
subsidiair te beschikken dat de vrouw wordt verplicht de man te informeren
omtrent het wel en wee van het kind middels een maandelijkse rapportage,
al dan niet door tussenkomst van een door de vrouw in te schakelen
deskundige. Bij beschikking van 4 januari 1990 heeft het Hof de bestreden
beschikking vernietigd en de man niet ontvankelijk verklaard in zijn
inleidend verzoek. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking
gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man
beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht het beroep te
verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot
vernietiging van de beschikking van het Hof en tot verwijzing van de zaak
naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

3. De beoordeling van de middelen

3.1 Nadat op 11 augustus 1987 het huwelijk van de man en de vrouw was
ontbonden door inschrijving van het tussen hen gewezen
echtscheidingsvonnis is op 17 september 1987 Hanna Rosa B. uit de vrouw
geboren. De vrouw was toen niet hertrouwd. De vrouw is tot voogdes over
Hanna benoemd. De man heeft de Rechtbank verzocht een omgangsregeling
tussen hem en Hanna vast te stellen. In hoger beroep heeft het Hof de man
niet ontvankelijk verklaard in dit verzoek op de grond, dat de man, naast
zijn biologisch vaderschap, geen bijkomende omstandigheden heeft gesteld
waaruit voortvloeit dat er tussen hem en Hanna een band bestaat die kan
worden aangemerkt als “vie familiale”/”family life” in de zin van art. 8
EVRM. Middel a komt terecht tegen deze beslissing op. Het Hof heeft
miskend dat, nu het hier gaat om een kind dat ingevolge art. 1:197 tweede
zin BW de man tot vader heeft, de man rechtstreeks aan art. 1:161 lid 5,
zoals die bepaling tot 1 december 1990 heeft gegolden, het recht ontleent
de rechter te verzoeken een omgangsregeling vast te stellen zonder dat hij
daartoe bijkomende omstandigheden behoefde te stellen.

Het bij de wet van 13 september 1990, Stb. 482, – in werking getreden op
1 december 1990 – ingevolge de art. 1:161a lid 2 behelst een op dit stuk
gelijke regeling. Deze wet houdt overigens wel nadere, niet in art. 161
lid 5 (oud) voorkomende voorschriften in met betrekking tot de beslissing
op een verzoek als het onderhavige. Zij bevat niet een overgangsbepaling
welke antwoord geeft op de vraag of de oude dan wel de nieuwe regeling
moet worden toegepast na vernietiging en verwijzing door de
cassatierechter. Nu na verwijzing het verzoek van de man in zijn geheel
opnieuw zal moeten worden behandeld zal daarbij de nieuwe regeling moeten
worden toegepast, zulks in overeenstemming met het slot van de tweede zin
van art. 74 lid 4 van het wetsvoorstel nr. 18.998 tot aanvulling van de
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Invoeringswet Boeken 3,5 en 6 nieuw
BW, elfde gedeelte).

3.2 Het Hof heeft voorts de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn in
hoger beroep alsnog subsidiair gedaan verzoek tot vaststelling van een aan
de vrouw op te leggen verplichting hem over het wel en wee van zijn
dochter te informeren, op de grond dat dit verzoek niet op de wet berust.
Daartegen keert zich middel b. Ook dit middel is gegrond. Een kind en zijn
niet met het gezag over hem belaste ouder hebben recht op omgang met
elkaar, zoals thans uitdrukkelijk is bepaald in art. 1:161a lid 1 BW. De
daartoe vereiste medewerking van de met het gezag beklede ouder zal in het
algemeen meebrengen dat hij de andere ouder op de hoogte stelt van
belangrijke feiten en omstandigheden betreffende het kind. Hiervan
uitgaande kan niet uitgesloten worden geacht dat de rechter, wanneer hij
een verzoek tot het treffen van een omgangsregeling niet toewijsbaar
oordeelt, wel -indien zich geen gronden overeenkomstig die welke in art.
161a lid 3 (nieuw) zijn vermeld daartegen verzetten- een regeling
vaststelt die daartoe beperkt blijft dat de met het gezag beklede ouder
verplicht is de andere ouder -in de door de rechter te bepalen omvang en
vorm- inlichtingen betreffende het kind te geven.

Een dergelijke verplichting -die de uitoefening van het gezag door de
daarmede beklede ouder niet beperkt- is immers aan te merken als een
minder vergaande dan die welke evengenoemde ouder verplicht eraan mede te
werken dat de andere ouder zijn omgangsrecht uitoefent, en door de
aanvaarding ervan wordt voorkomen dat de band tussen het kind en de andere
ouder in ernstiger mate wordt verbroken dan wordt gerechtvaardigd door de
gronden die zich tegen het treffen van een omgangsregeling verzetten. Een
redelijke uitleg van de in het Burgerlijk Wetboek en in het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering vervatte procedureregels betreffende het
vaststellen van een omgangsregeling brengt mee, dat deze regels ook moeten
worden toegepast bij het vaststellen van een regeling omtrent het geven
van inlichtingen als vorenbedoeld.

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Gerechtshof
te ‘s-Hertogenbosch van 4 januari 1990; en verwijst het geding naar het
Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

Rechters

Mrs. Snijders, De Groot, Hermans, Roelvink, Heemskerk; A-G Moltmaker