Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 14 december 1990

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Eiseres is van mening dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door
haar, als asielzoekster, niet in Nederland de uitkomst te laten afwachten van
door haar bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State ingestelde beroep
ter zake van de weigering van de Staat haar als vluchteling toe te laten.
Deze vordering is afgewezen omdat er geen sprake was van groepsvervolging van
Tamils in Sri Lanka en dat voor de vraag of eiseres als vluchteling dient te
worden beschouwd derhalve uitsluitend de persoonlijke omstandigheden van
eiseres van belang zijn

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie – verder te noemen eiseres – heeft bij exploot van
17 mei 1988 verweerder in cassatie – verder te noemen de Staat – gedagvaard
voor de President van de Rechtbank te Haarlem en gevorderd de Staat te
verbieden haar uit Nederland te (doen) uitzetten voordat door de
Staatssecretaris van Justitie is beslist op het door haar ingediende
herzienigsverzoek ex artikel 29 Vreemdelingenwet, althans voordat de
Staatssecretaris van Justitie heeft aangetoond dat verantwoorde opvang van
eiseres op Sri Lanka redelijkerwijze verzekerd is

Nadat de Staat tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de
President bij vonnis in kort geding van 10 juni 1988 de gevraagde voorziening
geweigerd

Tegen dit vonnis heeft eiseres hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Amsterdam en daarbij haar eis vermeerderd door tevens te
vorderen de Staat:

– op te dragen om al het nodige te (doen) verrichten om een ongehinderde
terugkeer van eiseres naar Nederland mogelijk te maken en al de daaraan
verbonden kosten te betalen;

– te verbieden haar verder nog uit Nederland te (doen) zetten, voordat
in hoogste instantie is beslist op het door haar ingediende verzoek om
herziening ex artikel 29 Vreemdelingenwet;

– te veroordelen om aan haar terug te betalen de kosten die zij voor
haar gedwongen vertrek uit Nederland naar Sri Lanka heeft moeten maken

Bij tussenarrest van 25 mei 1989 heeft het Hof partijen in de
gelegenheid gesteld een akte te nemen in voege als in het arrest is omschreven
en bij eindarrest van 9 november 1989 heeft het Hof het bestreden vonnis
bekrachtigd en het in hoger beroep meer gevorderde afgewezen

Het eindarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van 9 november 1989 van het Hof heeft eiseres beroep in
cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en
maakt daarvan deel uit

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor eiseres
mede door Mr. .C.G. ter Veer

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot:

– vernietiging van het bestreden arrest;

– vernietiging van het vonnis van de President van de Rechtbank te
Haarlem van 10 juni 1988 in kort geding tussen eiseres en de Staat;

– toewijzing van de vordering van eiseres de Staat op te dragen al het
mogelijke te verrichten om de terugkeer van eiseres naar Nederland mogelijk te
maken en de Staat te verbieden eiseres uit Nederland te zetten, een en ander
totdat de Afdeling rechtspraak van de Raad van State zal hebben beslist over
het beroep van eiseres tegen weigering van een verblijfstitel in Nederland;

– verwijzing van de zaak naar een gerechtshof ten einde de overige
vorderingen van eiseres te onderzoeken en daarover te beslissen;

– veroordeling van de Staat in de cassatiekosten en in de kosten van de
eerste aanleg, en

– aanhouding van de beslissing over de kosten van het hoger beroep tot
de eindbeslissing

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. De grondslag
van de vordering van eiseres – een jeugdige (vrouwelijke) Tamil – komt, voor
zover in cassatie nog van belang, hierop neer dat naar haar stellingen de
Staat onrechtmatig heeft gehandeld door haar, als asielzoekster, niet in
Nederland de uitkomst te laten afwachten van het door haar bij de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State ingestelde beroep ter zake van de weigering
van de Staat haar als vluchteling toe te laten

De President heeft bij zijn afwijzing van de vordering, zoals deze toen
aan hem was voorgelegd, tot uitgangspunt genomen: a. dat van groepsvervolging
van Tamils in Sri Lanka geen sprake is, en b. dat voor de vraag of eiseres als
vluchteling dient te worden beschouwd derhalve uitsluitend de persoonlijke
omstandigheden van eiseres van belang zijn. In hoger beroep is het debat
ter zake van beide uitgangspunten voortgezet

3.2 De onderdelen 1-3 van het middel hebben betrekking op de verwerping
door het Hof van de grieven gericht tegen het onder a. vermelde uitgangspunt

Het Hof heeft die grieven verworpen op de grond dat eiseres onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat jeugdige (vrouwelijke) Tamils als zodanig, los
van hun persoonlijke gedragingen en omstandigheden, in Sri Lanka te vrezen
hebben onder meer voor vervolging, in de zin van het Vluchtelingenverdrag,
wegens godsdienstige of politieke overtuiging, nationaliteit dan wel wegens
het behoren tot een bepaalde ras of tot een bepaalde sociale groep (rov. 2.2
in samenhang met rov. 2.1)

Onderdeel 1 van het middel bevat de klacht dat het Hof een onjuiste
maatstaf heeft toegepast. Die klacht is gegrond

Voor het antwoord op de vraag of asielzoekers in Nederland de uitkomst
mogen afwachten van de door hen ingestelde rechtsmiddelen tegen een weigering
tot toelating als vluchteling, is ingevolge het bepaalde in Hoofdstuk B 7 van
de Vreemdelingencirculaire 1982, zoals dat luidt na de wijziging van april
1987/januari 1988, maatstaf of “er in redelijkheid geen twijfel over kan
bestaan dat betrokkene niet voldoet aan de omschrijving van vluchteling in
art. 1(A) van het Verdrag van Geneve betreffende de status van vluchtelingen
en bijbehorend Protocol van New York, zoals ook neergelegd in art. 15, eerste
lid Vreemdelingenwet”. Zoals voortvloeit uit hetgeen de Hoge Raad in zijn
arrest van 29 juni 1990, RvdW 1990, 140, heeft overwogen, moet deze maatstaf
niet anders worden verstaan dan die welke eerder in HR 22 juni 1984, NJ 1985,
82 was aangegeven, te weten dat er tussen redelijk denkende mensen geen
twijfel over kan bestaan, dat de vreemdeling zich, objectief bezien, niet in
een vluchtsituatie bevindt

Aan deze maatstaf is niet voldaan indien reeds de omstandigheid dat de
vreemdeling het gestelde gevaar “onvoldoende aannemelijk” heeft gemaakt, tot
een negatief antwoord op bovengenoemde vraag zou leiden; dat enkele
onvoldoende aannemelijk maken behoeft immers de in de maatstaf bedoelde
twijfel niet uit te sluiten

3.3 De gegrondheid van deze klacht kan echter niet tot cassatie leiden
In het voorgaande ligt besloten dat in de rechtsoverwegingen waartegen
deze klacht zich richt, uitsluitend aan de orde is of in Sri Lanka sprake is
van – kort gezegd – vervolging van de – jeugdige – Tamils als bevolkingsgroep,
tot welke groep ook eiseres behoort. Het antwoord op de vraag of er tussen
redelijk denkende mensen geen twijfel over kan bestaan dat de vreemdeling
h, objectief bezien, niet in een vluchtsituatie bevindt, kan niet los
worden gezien van wat door de Afdeling rechtspraak als rechter die ter zake
van toelating als vluchteling beslist, voor het zich bevinden in een
vluchtsituatie beslissend wordt geacht. Zolang het oordeel van deze rechter
te dier zake nog onbekend is dan wel ruimte voor twijfel laat, zal de
burgerlijke rechter in kort geding met betrekking tot de vraag of er tussen
redelijk denkende mensen geen twijfel mogelijk is, een zelfstandig oordeel
dienen te geven

Indien evenwel op het punt waarom het in het gegeven geval gaat – hier,
kort gezegd, de vraag of sprake is van groepsvervolging van jeugdige Tamils in
Sri Lanka – , het oordeel van de Afdeling rechtspraak op grond van eerdere, op
het betreffende punt identieke zaken bekend en duidelijk is, staat daarmee
tevens voor de rechter in kort geding, bij gebreke van wezenlijk nieuwe
feiten, vast dat tussen redelijk denkende mensen twijfel op dit punt
uitgesloten moet worden geacht

Die situatie doet zich in het onderhavige geval voor, nu volgens vaste
rechtspraak van de Afdeling rechtspraak het enkele behoren tot de
bevolkingsgroep van de jeugdige Tamils onvoldoende grondslag vormt voor
gegronde vrees voor vervolging (vgl. de uitspraken van 24 februari, 2 augustus
en 14 september 1988, RV 1988, 4, 5 en 6). Dit brengt mee dat eiseres bij
haar voormelde klacht geen belang heeft, nu ook bij gegrondheid van deze
klacht geen andere uitkomst mogelijk is dan waartoe het Hof is gekomen

Op dezelfde grond kunnen ook onderdeel 2, dat ’s Hofs oordeel met een
motiveringsklacht bestrijdt, en onderdeel 3, dat zich richt tegen dat oordeel
voor zover het betrekking heeft op het beroep van eiseres op art. 3 EVRM, niet
tot cassatie leiden

3.4 De overige onderdelen hebben betrekking op het hiervoor in 3.1 onder
b. bedoelde uitgangspunt. De onderdelen 4 en 5 betreffen ’s Hofs oordeel
dat het met betrekking tot de persoonlijke feiten en omstandigheden van
eiseres niet kan uitgaan van latere verhalen van eiseres en daarom (enkel) aan
de hand van haar vluchtrelaas bij de contactambtenaar zal onderzoeken of er in
redelijkheid twijfel over kan bestaan dat eiseres zich objectief bezien in een
vluchtsituatie bevindt (rov. 2.8 slot)

Daartoe heeft het Hof overwogen dat het zich verenigt met de door de
President in zijn rov. 3.21 geformuleerde maatstaf waarbij deze als vuistregel
heeft aanvaard dat op een later afgelegde verklaring die op meer dan
ondergeschikte punten van het relaas ten overstaan van de contactambtenaar
afwijkt, dan wel ermee strijdig is, slechts acht kan worden geslagen wanneer
door de betrokken asielzoeker naar behoren feiten en omstandigheden worden
gesteld die de discrepantie tussen de verschillende lezingen verklaren; voorts
heeft het Hof geoordeeld dat eiseres zodanige feiten en omstandigheden niet
heeft gesteld (rovv. 2.7 en 2.8)

’s Hofs oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zijn
niet onbegrijpelijk en behoefden geen nadere motivering. De onderdelen
stuiten hierop af

3.5 Onderdeel 6 richt zich tegen ’s Hofs oordeel dat zelfs indien ervan
zou worden uitgegaan dat Tamil-vrouwen het gevaar lopen het slachtoffer te
worden van seksueel geweld van de IPKF (Indian Peace Keeping Forces) of het
Srilankaanse leger, dit op zichzelf en zonder meer niet kan leiden tot de
conclusie dat eiseres persoonlijk gegronde reden heeft om te vrezen voor
vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dit oordeel geeft niet
blijk van een onjuiste rechtopvatting – met name ook niet waar het een risico
van verkrachting in een land, waar tengevolge van binnenlandse onlusten
legereenheden van twee legers actief zijn, niet met vervolging gelijkstelt –
en kan voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst,
omdat het gebaseerd is op ’s Hofs waardering van de feiten. Het is niet
onbegrijpelijk, noch behoefde het nadere motivering

Onderdeel 6 faalt derhalve

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie, tot deze
uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 456,30 aan verschotten en ƒ
1.500,– voor salaris

Rechters

vice-president Snijders, als voorzitter en de raadsheren De Groot,Hermans, Boekman en Heemskerk