Instantie: Centrale Raad van Beroep, 6 november 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Aan eiseres, die ziek is na afloop van haar arbeidscontract voor
bepaalde tijd, wordt gedurende de eerste drie maanden de WW-uitkering
geweigerd. Het beroep hiertegen wordt gegrondverklaard. De Raad is van
mening dat zij op het moment dat haar contract afliep niet beschikbaar was om
arbeid te aanvaarden. Zij voldoet pas aan de voorwaarden van art. 16 WW op
het moment dat zij beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, terwijl er dan nog
steeds sprake is van arbeidsurenverlies

Volledige tekst

I ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 22 september 1988 is vanwege gedaagde aan eiseres kennis
gegeven van een beslissing, de uitvoering van de Werkloosheidswet betreffende
Een fotocopie van die brief is aan deze uitspraak gehecht. De inhoud
daarvan wordt geacht hier te zijn weergegeven

De Raad van Beroep te Amsterdam heeft bij uitspraak van 26 juli 1989 het
tegen deze beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard

Eiseres is bij gemachtigde Mr L. Andringa, advocaat te Amsterdam, op de
daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 25 september
1990, waar voor eiseres is verschenen Mr. Andringa voornoemd, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door Mr. f. Hartevelt, werkzaam bij het
Gemeenschappelijk Administratiekantoor

II Motivering

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden

Aan eiseresses dienstverband bij het Muziektheater te Amsterdam is op 18
augustus 1987 een einde gekomen door het verstrijken van de termijn waarvoor
dat dienstverband was aangegaan

Kort daarvoor, te weten op 8 augustus 1987, is eiseres in verband met
ziekte in een ziekenhuis opgenomen en ook na het ontslag uit dat ziekenhuis is
eiseres nog enige tijd arbeidsongeschikt gebleven

Gedaagde heeft over het tijdvak van 8 augustus 1987 tot 7 december 1987
ziekengeld ingevolge de Ziektewet verstrekt

Per 7 december 1987 is eiseres hersteld verklaard, waarna zij zich op
diezelfde datum als werkzoekende bij het Gewestelijk Arbeidsbureau heeft laten
inschrijven en bij gedaagde een aanvraag heeft ingediend voor een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet

Op deze aanvraag heeft gedaagde bij de bestreden beslissing besloten
eiseres ingaande 18 augustus 1987 een uitkering toe te kennen, zij het dat
deze uitkering gedurende de periode 18 augustus tot en met 17 november 1987 in
verband met het bepaalde in art. 34, lid 1, van de Werkloosheidswet op nihil
is gesteld. Voorts is eiseres over de periode 18 november tot en met 6
december 1987 uitgesloten van het recht op uitkering gelet op het bepaalde in
art. 19, lid 1, aanhef en sub a, van de Werkloosheidswet

Namens eiseres is tegen deze beslissing beroep ingesteld. Tijdens de
gedingvoering in eerste aanleg, en ook nog in het beroepschrift, heeft
eiseresses gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat gedaagde eiseres ten
onrechte over de periode 18 augustus tot en met 17 november 1987 niet van het
recht op uitkering heeft uitgesloten op de grond dat eiseres gedurende die
periode niet werkloos was omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid op de
arbeidsmarkt

Ter terechtzitting van de Raad heeft de gemachigde van eiseres, onder
verwijzing naar recente uitspraken van de Raad, het standpunt ingenomen dat er
voor eiseres op 18 augustus 1987 in het geheel geen recht op uitkering is
ontstaan omdat zij op die datum niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden,
als bedoeld in artikel 16, lid 1, aanhef en onder b, van de Werkloosheidswet
Volgens die gemachtigde moet de eerste werkloosheidsdag worden gesteld op
7 december 1987

De Raad overweegt het volgende

Art. 19, lid 1, aanhef en sub a van de Werkloosheidswet bepaalt: Geen
recht op uitkering heeft de werknemer die ononderbroken een uitkering ontvangt
op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee
overeenkomt, met ingang van de dag waarop hij deze uitkering vanaf of na het
intreden van zijn werkloosheid 3 maanden heeft ontvangen

Met een beroep op de wetsgeschiedenis legt gedaagde deze bepaling aldus
uit dat, waar de uitsluiting na 3 maanden is gebaseerd op de vooronderstelling
dat de betrokkene niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, hieruit valt af
te leiden dat gedurende de eerste 3 maanden van ziekengeld ingevolge de
Ziektewet het genot daarvan het aannemen van beschikbaarheid niet in de weg
staat, ongeacht de feitelijke situatie waarin de betrokkene zich bevindt

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever bij de
redactie van artikel 19, lid 1, aanhef en onder a, van de Werkloosheidswet
blijkbaar van de veronderstelling is uitgegaan dat de werknemer, die ziek is
en in verband daarmee uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt, gedurende de
eerste drie maanden van arbeidsongeschiktheid beschikbaar is (en blijft) om
arbeid te aanvaarden

In de tekst van art. 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de
Werkloosheidswet -en trouwens ook in de tekst van art. 20, tweede lid onder b,
voor het geval een werknemer tijdens genot van uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet ziek wordt- is dit evenwel niet tot uitdrukking gebracht en
ook met betrekking tot artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a van die wet
kan het bestaan van zo’n vooronderstelling niet uit die tekst zelf maar
slechts via een redenering a contrario daaruit worden afgeleid

In het bestaan van een dergelijke vooronderstelling, zonder dat die
vooronderstelling op de daarvoor geeigende plaatsen in de Werkloosheidswet op
enigerlei wijze in de tekst van die wet tot uitdrukking is gebracht, acht de
Raad onvoldoende grond gelegen om van zijn inmiddels gevormde jurisprudentie
op het begrip “beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden” af te wijken

De uitgangspunten van de Raad bij de uitleg van dat begrip zijn- kort
gezegd-:

– dat de werknemer beschikbaar moet zijn om arbeid op de arbeidsmarkt te
aanvaarden;

– dat voornoemd begrip een feitelijke toestand weergeeft waarin de
werknemer verkeert;

– dat de vraag, of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te
aanvaarden aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval,
waaronder ook de houding en gedrag van de betrokken werknemer, moet worden
beantwoord

Die uitgangspunten toepassend op het geval van een werknemer die
uitkering ingevolge de Ziektewet geniet, is de Raad van oordeel dat dit
gegeven de vooronderstelling rechtvaardigt dat die werknemer tijdens de duur
van dat ziekengeld niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, tenzij aan de
overige feiten en omstandigheden van het concrete geval aanwijzingen kunnen
worden ontleend welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten

In het geval van eiseres is de Raad, nog mede gelet op de bijzonderheden
die de gemachtigde van eiseres omtrent de aard en het verloop van de ziekte
van eiseres ter terechtzitting van de Raad naar voren heeft gebracht, van
oordeel dat de juistheid van de hiervoor genoemde vooronderstelling niet is
aangetast

Eiseres was derhalve op 18 augustus 1987 niet werkloos, want: niet
beschikbaar om arbeid te aanvaarden, en voldeed daarmee niet aan een cruciale
ontstaansvoorwaarde voor het recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet

Hetgeen in art. 16, vijfde lid, omtrent de eerst dag van werkloosheid is
bepaald, kan daaraan -zoals de Raad in zijn uitspraak d.d. 24 juli 1990, nr.
WW 1989/195 reeds heeft overwogen- niet afdoen

Met betrekking tot eiseresses recht op uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet op 7 december 1987 overweegt de Raad het volgende

Uit artikel 16 van de Werkloosheidswet blijkt dat een werknemer werkloos
is in de zin van de Werkloosheidswet, indien hij aan twee voorwaarden,
opgenomen in artikel 16, lid 1 onder a en b, voldoet

Niet in geschil is dat eiseres op 7 december 1987 aan de tweede
voorwaarde, het beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden, voldoet

Ook aan de eerste voorwaarde, te weten: relevant verlies van arbeidsuren
(en loonverlies) heeft eiseres naar het oordeel van de Raad op die datum
voldaan

Eiseres had namelijk reeds op een eerder tijdstip, te weten: 18 augustus
1987, door het eindigen van haar dienstbetrekking arbeidsurenverlies (en
loonverlies) geleden

De Raad, die in zoverre terugkomt van het in zijn uitspraak van 24 juli
1990, WW 1989/195, ingenomen standpunt met betrekking tot het tijdstip van
intreden van arbeidsurenverlies -het tijdstip van intreden van het
arbeidsurenverlies was overigens geen kernpunt van het geschil dat partijen in
die zaak verdeeld hield-, overweegt dat het einde van de dienstbetrekking van
eiseres op 18 augustus 1987 tot gevolg heeft gehad dat zij, ook al was zij op
dat tijdstip arbeidsongeschikt, toen arbeidsurenverlies heeft geleden en dat
dit arbeidsurenverlies (en loonverlies) ook nog bestond op 7 december 1987

Dit alles leidt tot de slotsom dat eiseres op 7 december 1987 werkloos
in de zin van de Werkloosheidswet was. De eerste dag van werkloosheid is,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 16, vijfde lid van de Werkloosheidswet,
maandag 7 december 1987

Voorts overweegt de Raad dat eiseres aan de in artikel 17, eerste lid,
van de Werkloosheidswet gestelde eis van 26 als werknemer gewerkte weken
voldoet, terwijl in haar geval op 7 december 1987 ook niet van een
uitsluitingsgrond is gebleken. Mitsdien is voor eiseres op die datum recht
op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontstaan

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, alsmede de
bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat gedaagde met betrekking
tot eiseresses aanspraken met inachtneming van deze, ’s Raads uitspraak, een
nadere beslissing zal hebben te nemen

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 80a, lid 5, van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat het door eiseres
zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door de
gedaagde dient te worden vergoed

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede de bestreden beslissing;

Verstaat dat gedaagde een nadere beslissing zal nemen met inachtneming
van deze uitspraak;

Verstaat dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 80a, lid 5,
van de Beroepswet aan eiseres het gestorte recht van f.75,- vergoedt

Rechters

mr P.A.J.M. Cras, als voorzitter, mr P.H. Hugenholtz, mr. K.J.S. Spaasals leden en A.M.T. Janmaat als griffier