Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 5 november 1990

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het belastbaar inkomen van de betrokken vrouw voor 1985 wordt door de
inspecteur vastgesteld op ƒ 27.033,- in plaats van ƒ 14.253,-. De inspecteur
accepteert niet dat de vrouw het saldo van de aanslagen premieheffing
volksverzekeringen uit voorgaande jaren ten bedrage van ƒ 12.780,-, die op
naam zijn gesteld van haar man maar uitsluitend zijn gebaseerd op haar inkomen
en door haar in 1985 zijn betaald, als persoonlijke verplichting op haar
inkomen in mindering brengt. Met de verzelfstandiging van gehuwde vrouwen in
het belastingrecht was de regeling, die hierop betrekking had, volgens de
staatssecretaris overbodig geworden.

Het Hof is van oordeel dat hier geen sprake is van discriminatie. Naar
de mening van het Hof had de staatssecretaris in individuele gevallen tegemoet
kunnen komen aan onbillijkheden van overwegende aard. Dat dit echter niet
gebeurt, is desondanks voor het Hof geen reden om de uitsprak van de
inspecteur te vernietigen. Een gotspe.

Volledige tekst

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 29 mei
1989, ingediend door mr. H. Snijders-Borst te ‘s-Gravenhage als haar
gemachtigde, en gericht tegen de uitspraak gedagtekend 31 maart 1989 van de
inspecteur betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de
inkomstenbelasting voor het jaar 1985.

De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 27.033,–. Na
bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van deze uitspraak en tot
vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ
14.253,–.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot
bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 24 augustus 1990 van de Eerste Enkelvoudige
Belastingkamer zijn verschenen de vorengenoemde gemachtigde vergezeld van
belanghebbende in persoon, alsmede de inspecteur.

De gemachtigde heeft een pleitnota met drie bijlagen overgelegd en
voorgedragen waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt.

Na verwijzing van de zaak naar de Eerste Meervoudige Belastingkamer van
dit Hof zijn ter zitting van 1 oktober 1990 verschenen de vorengenoemde
gemachtigde vergezeld van belanghebbende in persoon en haar echtgenoot. De
inspecteur die is opgeroepen bij aangetekend verzonden schrijven van 19
september 1990 is niet verschenen. De gemachtigde heeft opnieuw een pleitnota
met een bijlage overgelegd en voorgedragen. Ook de inhoud van deze pleitnota
geldt als hier ingelast.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1 Belanghebbend, geboren in 1941, is gehuwd met G. Belanghebbende
oefent sedert 1981 een fysiotherapie praktijk uit in Amsterdam. Haar
echtgenoot heeft sedert 1979 geen eigen inkomen.

2.2 Met dagtekening 29 april 1985 is aan de echtgenoot van
belanghebbende een aanslag premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1982
opgelegd ten bedrage van ƒ 11.324,–. Op 31 juli 1985 is aan hem een aanslag
premieheffing volksverzekering voor het jaar 1983 opgelegd ten bedrage van ƒ
3.215,–. Beide aanslagen zijn in 1985 betaald uit de inkomsten van
belanghebbende. Voorts is in het jaar 1985 een bedrag van ƒ 1.759,– aan
premiefheffing volksverzekeringen gerestitueerd.

Het saldo van deze drie bedragen beloopt ƒ 12.780,–, welk bedrag door
belanghebbende in mindering is gebracht van haar onzuivere inkomen voor het
jaar 1985.

Beide aanslagen en de restitutie hebben betrekking op premies
volksverzekeringen welke zijn geheven van inkomsten welke aan belanghebbende
zijn opgekomen.

2.3 De inspecteur heeft de aftrekpost van ƒ 12.780,– niet geaccepteerd
en het belastbare inkomen van belanghebbende ƒ 12.780,– hoger vastgesteld dan
door haar was aangegeven.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende, zoals zij stelt en de
inspecteur betwist, de betaalde premies volksverzekeringen over de jaren 1982
en 1983 op haar onzuivere inkomen in mindering mag brengen onder aftrek van de
gerestitueerde premies.

4. Standpunten van partijen

Het Hof verwijst daarvoor naar de gedingstukken en de pleitnotities.
Overigens hebben partijen geen nieuwe stellingen of argumenten aangevoerd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Op aanslag te betalen premies volksverzekeringen behoren – evenals
de premievervangende belasting – sedert 1 januari 1985 op grond van het
bepaalde in art. 5, derde lid, letter d van de Wet op de inkomstenbelasting
1964 tot de persoonlijke verminderingen en vermeerderingen van het onzuivere
inkomen van de gehuwde en niet duurzaam gescheiden levende belastingplichtige
te wiens name die aanslag is gesteld.

Dit uitgangspunt is tussen partijen niet in geschil. Door deze
wettelijke regeling worden fiscaal gezien op dit punt de gehuwde mannen, de
gehuwde vrouwen en de ongehuwden op dezelfde wijze behandeld.

5.2 Het onder 5.1 overwogene houdt in dat aanslagen premies
volksverzekeringen of premievervangende belasting welke zijn gesteld ten name
van een ander dan de belastingplichtige zelf slechts in aanmerking kunnen
worden genomen bij die ander en niet bij de belastingplichtige. Ook in zoverre
maakt de wettelijke regeling geen onderscheid tussen gehuwde mannen, gehuwde
vrouwen en ongehuwden.

5.3 Het betoog van belanghebbende dat sprake is van discriminatie van
een gehuwde vrouw heeft dan ook betrekking op de omstandigheid dat de
aanslagen premieheffing volksverzekeringen over de jaren 1982 en 1983 zijn
gesteld te name van haar echtgenoot, hoewel die premies verschuldigd zijn over
door haar genoten inkomsten.

De tenaamstelling van deze aanslagen is echter in overeenstemming met de
voor 1 januari 1985 geldende wetgeving. Dit wordt op zich zelf door
belanghebbende niet betwist.

De vraag of de toen geldende wetgeving in strijd is met het bepaalde in
art. 26 IVBPR had rechtens getoetst moeten worden in een procedure betreffende
die aan de echtgenoot van belanghebbende opgelegde aanslagen. In het kader van
de onderhavige aanslag, welke zoals hiervoor is overwogen is opgelegd op basis
van de sinds 1 januari 1985 geldende niet discriminatoire wetgeving, is
daarvoor geen plaats. Overigens moet die vraag naar het Hof uit het arrest van
de Hoge Raad van 27 september 1989, nr. 24 297 (B.N.B. 1990/61) afleidt
ontkennend worden beantwoord.

5.4 Belanghebbende heeft nog betoogd dat de discriminatie daarin is
gelegen dat de wetgever ten onrechte bewust geenovergangsregeling in het leven
heeft willen roepen.

De omstandigheid echter dat het gaat om een achterwege gebleven
overgangsregeling kan geen grond zijn voor de rechter om te oordelen dat
sprake is van schending van art. 26 IVBPR.

Naar ’s Hofs oordeel zijn de in casu aanwezige omstandigheden – welke
door de inspecteur niet zijn betwist – en welke met name betrekking hebben op
het feit dat het inkomen in de jaren 1982 en 1983 van de zijde van
belanghebbende is opgekomen en dat de echtgenoot van belanghebbende reeds
sedert jaren geen zelfstandig inkomen geniet en naar verwachting in de komende
jaren ook niet zal genieten, oorzaak van een wijze van belastingheffing welke
door belanghebbende terecht als onbillijk wordt ervaren. Dezelfde ongewenste
gevolgen voor de belastingheffing welke de staatssecretaris van Financien
indertijd noopten tot het met toepassing van art. 63 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen uitvaardigen van de inmiddels vervallen resolutie van
19 juni 1974, nr. B74/13084, zoals deze voor latere jaren is gewijzigd, doen
zich in de onderhavige situatie voor.

Het bewust achterwege laten van een algemene overgangsregeling door de
wetgever kan voor de staatssecretaris geen grond zijn om niet in individuele
gevallen met toepassing van genoemd art. 63 tegemoet te komen aan
onbillijkheden van overwegende aard.

5.5 Belanghebbende heeft tenslotte nog gesteld dat sprake is van
schending van art. 4 van de op 23 december 1984 in werking getreden Richtlijn
gelijke behandeling mannen en vrouwen in de sociale zekerheid (79/7/EEG).

Het betoog van belanghebbende ziet er aan voorbij dat de aftrekbaarheid
van premies volksverzekeringen voor de heffing van inkomstenbelasting niet
bedoeld is als een vermindering van de geheven premies tot op een nettobedrag,
maar moet worden gezien als een inkomensbepalende omstandigheid bij de heffing
van inkomstenbelasting.

De omstandigheid dat de op naam van de echtgenoot van belanghebbende
geheven premies over de jaren 1982 en 1983 niet in mindering kunnen worden
gebracht van haar onzuivere inkomen en – omdat dit onzuivere inkomen bij haar
echtgenoot geheel ontbreekt – ook niet met enig effect op dat van haar
echtgenoot, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat sprake is van
schending van art. 4 voornoemd.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Rechters

Mrs Holdert, Van Ballegooijen en Van Willigenburg.