Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 14 juni 1990

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Immateriele schadevergoeding ƒ 5.000,=. Haptonoom heeft misbruik gemaakt
van verhouding hulpverlener-client en kan zich niet beroepen op het
ontbreken van haptonomische richtlijnen

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 31 mei 1990 hebben eiseressen, hierna ook P., R en
S, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis
gehechte dagvaarding. D. heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering
van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen stukken,
waaronder van weerszijden produkties en pleitnotities, overgelegd voor
vonniswijzing.

Gronden van de beslissing:

1. Op de bij dagvaarding gestelde en ter zitting nader toegelichte gronden
vorderen P, R en S dat D aan elk van hen een bedrag van ƒ 5.000,= betaalt
als vergoeding door de door hen geleden immateriele schade.

2. D betwist niet dat hij, toen P bij hem onder behandeling was, gedurende
enige maanden een (seksuele) relatie met haar onderhield. Hij betoogt
verliefd op haar te zijn geworden en te goeder trouw de relatie met haar
te zijn aangegaan. Van een machtsverhouding hulpverlener-patient was geen
sprake. De relatie zou identiek zijn geweest indien zij elkaar in een cafe
zouden hebben ontmoet, aldus D. Hij bestrijdt derhalve dat er sprake is
van onrechtmatig handelen zijnerzijds. Met betrekking tot R erkent hij
eenmaal seksueel contact met haar te hebben gehad, eveneens in de tijd dat
zij bij hem onder behandeling was. Wellicht was dit moreel onverantwoord
te noemen, maar het levert in ieder geval geen onrechtmatige handelen op,
zo betoogt hij voorts. In beide gevallen voert D aan dat het seksuele
contact nooit in zijn praktijkruimte heeft plaatsgevonden.

3. De door S gestelde gedragingen worden door D ontkend. Met name betwist
hij dat hij haar aan zijn geslachtsdeel heeft laten voelen of anderszins
suggestieve handelingen heeft verricht. Hij erkent dat hij half ontkleed
bovenop haar heeft gelegen, maar betoogt dat dit onderdeel uitmaakte van
de therapie. Dat hij half ontkleed was, vond zijn oorzaak in het feit dat
hij S “over de drempel wilde helpen” om zich in het kader van de therapie
te ontkleden. Ook in haar geval heeft hij derhalve niet onrechtmatig
gehandeld, aldus D.

4. Centraal staat de vraag of D als haptonoom misbruik heeft gemaakt van
zijn positie. Anders dan hij meent, is het feit dat in de haptonomie geen
sprake is van een medische verhouding arts/patient hierbij niet van
doorslaggevende betekenis. Van belang daarentegen is de voor het welslagen
van de therapie gewenste vertrouwensrelatie, bezien tegen de achtergrond
dat -naar D heeft betoogd- de achterliggende gedachte van de haptonomie
is dat psychische problemen kunnen worden overwonnen als de patient zich
fysiek goed voelt en gelukkig is in zijn eigen lichaam.

5. P en S hebben zich bij D onder behandeling gesteld wegens
incest-ervaringen, P voorts wegens psoriasisklachten. R had klachten van
zwaar depressieve aard. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij, gelet
op de aard van hun respectievelijke problemen, in de behandelingsfase in
een zeer kwetsbare positie verkeerden, waarin zij gemakkelijk te
beinvloeden waren en ontvankelijk voor de aandacht die zij van D -de
deskundige en hun houvast om uit de problemen te geraken- genoten. Met
andere woorden: hun gemoedstoestand heeft geleid tot een
afhankelijkheidspositie ten opzichte van D, die zich dit had moeten
realiseren en zich met het oog hierop terughoudend had behoren op te
stellen. In ieder geval had hij zich dienen te onthouden van seksueel
contact, ook buiten zijn praktijkruimte, met P en R.

6. Voor R heeft deze afhankelijkheidspositie er voorts toe geleid dat zij
-onweersproken- zich tijdens de therapiesessies meerdere malen heeft
overgegeven aan innige omarmingen met D. Onaannemelijk is dat een
dergelijke handelwijze redelijkerwijs als onderdeel van de therapie kan
worden aangemerkt, met name gelet op het hierop gevolgde seksuele contact.
Ten aanzien van S heeft D erkend dat hij tijdens een therapiesessie half
ontkleed bovenop haar, terwijl zij eveneens gedeeltelijk ontkleed was, is
gaan liggen. Dat hij ertoe is overgegaan zichzelf gedeeltelijk te
ontkleden en haar aldus over de drempel te helpen om dit ook te doen,
getuigt evenmin van enige therapeutische bedoeling, te minder nu dit niet
in de rede ligt bij een patient die wegens incest- ervaringen hulp heeft
gezocht, maar eerder van misbruik van zijn positie. Dat de handelingen van
D niet als een algemeen erkende haptonomische therapie kunnen worden
aangemerkt blijkt overigens tevens uit het feit dat de Vereniging voor
Haptonomie naar aanleiding van klachten van P en R heeft besloten geen
patienten meer naar hem te verwijzen.

7. Op grond van het voorgaande moet geoordeeld worden dat D jegens P, R
en S de hiervoor genoemde vertrouwensrelatie -die overigens extra beladen
wordt, zodra de therapie gepaard gaat met fysieke aanrakingen- heeft
misbruikt. Dat hij met S geen seksueel contact heeft gehad, is hierbij niet
van beslissende betekenis. Voorts is -gelet op de inhoud van de
overgelegde produkties – genoegzaam komen vast te staan dat P, R en S alle
drie zijn geconfronteerd met nog grotere psychische problemen althans met
een moeizamere verwerking daarvan. D heeft derhalve jegens hen
onrechtmatig gehandeld. Zijn betoog dat hij voor P amoureuze gevoelens was
gaan koesteren, ontneemt -gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen
-niet het onrechtmatig karakter aan zijn gedragingen. Evenmin kan hij een
argument ontlenen aan het ontbreken van haptonomische richtlijnen waaraan
een en ander getoetst kan worden, nu dit geen vrijbrief geeft voor zijn
vooromschreven handelwijze.

8. Vervolgens komt aan de orde de vraag of een bedrag van ƒ 5.000,= als
passend voorschot op de door P, R en S geleden psychische schade kan
worden aangemerkt. Uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen,
met name uit het feit dat elk van hen nog steeds emotionele hinder
ondervindt van de gedragingen van D moet deze vraag bevestigend worden
beantwoord. Immers, een dergelijk bedrag stelt hen in de gelegenheid
activiteiten te ontwikkelen die zouden kunnen bijdragen tot een snellere
verwerking van het gebeurde. Reeds hierin is het spoedeisend belang van
P, R en S bij hun vorderingen gelegen. Dat zij lange tijd gewacht hebben
met het instellen hiervan doet aan het spoedeisend karakter niet af, nu
aannemelijk is dat dit zijn oorzaak vindt in de onderliggende emotionele
aspecten. Dat D enige tijd geleden een schikkingsvoorstel heeft aanvaard,
leidt niet tot afwijzing van de gevraagde voorzieningen, nu de aanvaarding
eerst heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de gestelde termijn en
P, R en S kennelijk van handhaving van hun voorstel hebben afgezien,
hetgeen hen vrijstond.

9. De vorderingen zijn derhalve toewijsbaar als na te melden, waarbij de
bedragen tot voldoening waarvan D wordt veroordeeld hebben te gelden als
voorschot op hetgeen hij ten gronde zal blijken verschuldigd te zijn. D
wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

Beslissing:

1. Veroordeelt D aan elk van eiseressen ƒ 5.000,= (vijfduizend gulden) te
voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei
1990 tot de dag van voldoening. 2. Verklaart dit vonnis tot zover
uitvoerbaar bij voorraad. 3. Veroordeelt D in de kosten van dit geding,
tot heden aan de zijde van eiseressen begroot op en te voldoen als volgt:
-aan eiseressen: ƒ 75,= aan de bij hen gevallen kosten van vastrecht, en
-aan de griffier van deze rechtbank: ƒ 225,= aan overig vastrecht, ƒ
81,80 aan exploitkosten, en ƒ 700,= aan salaris procureur 4. Wijst het
meer of anders gevorderde af.

Rechters

mr. J.M. Vrakking