Instantie: Raad van Beroep ‘s-Gravenhage, 15 november 1989

Instantie

Raad van Beroep ‘s-Gravenhage

Samenvatting


WWV voor gehuwde vrouw. Klaagster is in 1979 werkloos geworden en
heeft tot 19 november 1979 een WW-uitkering ontvangen. Op 27 september
heeft zij alsnog een WWV-uitkering aangevraagd. Om het effect van de
discriminatie zoveel mogelijk te beperken moet volgens de Raad gekeken worden
naar de eerste dag van werkloosheid respectievelijk de dag waarop de WW-
uitkering is beeindigd voor beantwoording van de vraag of klaagster
werkneemster en werkloos was in de zin van de WWV. Indien dit het geval is,
dient te worden aangenomen dat dit ook zo was op 23 december 1984, tenzij het
tegenovergestelde duidelijk blijkt. Dus omdraaiing van de bewijslast.
Het niet meer kunnen aantonen van sollicitatieactiviteiten mag niet (volledig)
voor rekening van klaagster komen. Van de gemeente mag een terughoudende
opstelling worden verwacht. Zie ook Centrale Raad van Beroep, 10 mei 1989,
Rechtspraak Nemesis 1989 nr. 51 met noot van Annie Lenting

Volledige tekst

1. Dagtekening uitspraak, 15 november 1989

2. Aanduiding bestreden beslissing(en)

De beslissing van verweerder d.d. 15 november 1988

3. Feiten welke de raad als vaststaande aanneemt

Klaagster is in 1979 werkloos geworden uit haar functie van
administratief medewerkster en heeft van 12 juni 1979 tot 19 november 1979 een
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Zij heeft geen uitkering
ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) aangevraagd, omdat zij meende
daar als gehuwde vrouw geen recht op te hebben

Klaagster heeft in de jaren 1980 en 1981 nog een aantal dagen via
uitzendbureaus gewerkt, maar heeft geen vaste functie meer kunnen vinden

Na berichten in de media, dat werkloze, gehuwde vrouwen alsnog recht
zouden hebben op een WWV-uitkering wegens het vervallen vanhet
kostwinnersvereiste, heeft klaagster op 27 september 1988 alsnog een aanvraag
om een WWV-uitkering ingediend terzake van haar op 31 december 1981 ontstane
werkloosheid

In de bestreden beslissing is door verweerder op deze aanvraag afwijzend
beslist

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting

5. Motivering

Ten aanzien van de grieven, die door klaagster tegen de bestreden
beslissing naar voren zijn gebracht, heeft de Raad het navolgende overwogen

Op het moment, dat klaagster werkloos werd, stond artikel 13, eerste
lid, onder 1 van de WWV aan het recht op een uitkering ingevolge de WWV in de
weg

Artikel 13, eerste lid, onder 1 van de WWV bepaalde, dat van het recht
op uitkering werd uitgesloten de gehuwde vrouw, die geen kostwinner is.
Deze bepaling betekent een directe discriminatie van de vrouw ten opzichte van
de man en is in strijd met onder andere artikel 4, eerste lid van de Richtlijn
79/7 van de EEG en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Politieke-
en Burgerrechten (hierna: IVBPR)

In de Richtlijn 79/7 van de EEG is aan de verdragsluitende landen een
overgangstermijn geboden om de nationale wetgeving aan het bepaalde in de
Richtlijn aan te passen. Blijkens de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen betekent dit, dat de burgers van de
verdragsluitende landen eerst na verloop van de deze termijn zich rechtstreeks
op de bepalingen van de Richtlijn kunnen beroepen en – voor wat Nederland
betreft, gezien het bepaalde in artikel 94 van de Grondwet – de rechter eerst
na verloop van deze termijn de Nederlandse wet kan toetsen aan ht bepaalde in
de Richtlijn. Bedoelde termijn liep op 23 december 1984 af

In vele uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep vastgesteld, dat he
t bovenstaande betekent, dat vanaf 23 december 1984 bepalingen in de
Nederlandse sociale verzekeringswetgeving, die discriminerend zijn voor
vrouwen, buiten toepassing gelaten moeten worden. Inmiddels is de bepaling
onder 1 van het eerste lid van artikel 13 van de WWV vervallen. De
intrekking van deze bepaling is vergezeld gegaan van overgangsmaatregelen,
waarvan is vastgesteld, dat deze ook discriminerende elementen bevatten

In zijn arrest van 8 maart 1988 inzake Dik c.s., zaak 80/87 heeft het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen – daarover oordelend –
vastgesteld:

“dat vrouwen op grond van artikel 4, lid 1, van de richtlijn vanaf 23
december 1984 recht hebben op dezelfde behandeling en op toepassing van
dezelfde regeling, zolang aan de richtlijn geen juiste uitvoering is gegeven,
het enig bruikbare referentiekader blijft. In casu betekent dit, dat indien
een man die voor 23 december zijn betrekking alsmede zijn recht op een
WW-uitkering heeft verloren en voor die datum geen WWV-uitkering ontving, na23
december 1984 in aanmerking kwam voor een WWV-uitkering, een vrouw die zich in
een gelijke situatie bevindt eveneens recht heeft op die uitkering, zonder dat
zij behoeft te voldoen aan een aanvullende voorwaarde die voor die datum
alleen voor gehuwde vrouwen gold”

Terzake van art. 26 IVBPR heeft de Centrale Raad van Beroep in een
uitspraak van 10 mei 1989, WWV 1988/63 overwogen, dat het IVBPR weliswaar op
11 maart 1979 voor Nederland in werking is getreden, maar dat dit niet
betekent, dat aan de bepalingen van dit bedrag verdrag ook vanaf die datum
rechtstreekse werking als bedoeld in artikel 93 en 94 van de Grondwet
toegekend kan worden

De Centrale Raad van Beroep acht:
“Op het stuk van de terugdringing van discriminatie in de sfeer van de
nationale sociale zekerheidswetgeving in sommige situaties ruimte aanwezig
voor geleidelijkheid met betrekking tot het tijdstip waarop ongelijke
behandeling op grond van nadien gewijzigde maatschappelijke opvattingen en
omstandigheden niet meer aanvaardbaar is te achten, en ten aanzien van de
vraag wanneer in zo’n geval het moment aanbreekt waarop aan artikel 26 IVBPR
in relatie tot de nationale wetgeving rechtstreekse werking niet meer kan
worden ontzegd

De Raad ziet geen aanleiding met betrekking tot de hier in geding zijnde
bepaling (artikel 13, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening) zijn in vorenvermelde jurisprudentie ingenomen
standpunt met betrekking tot de aan artikel 26 van het IVBPR toekomende
geleidelijke werking niet langer te volgen

In de lijn van de meervermelde uitspraken komt de Raad ten aazien van de
hier in geding zijnde bepaling tot de slotsom dat (niet eerder dan) op 23
december 1984 het tijdstip is aangebroken, waarop aan artikel 26 van het IVBPR
rechtstreekse werking niet langer kan worden ontzegd. “

Deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betekent naar het oordee
l van de Raad dat aan art. 26 IVBPR in relatie tot art. 13, lid 1, onder 1 van
de WWV geen zelfstandige betekenis toekomt naast art. 4, eerste lid, van de
Richtlijn 79/7 van de EEG. De opmerking namens klaagster dat het Comite
voor de Rechten van de Mens in een uitspraak van 9 april 1987 in de zaak
B./Gemeente Arnhem (RSV 1987/245) uitgaat van een rechtstreekse werking van
art. 26 IVBPR vanaf 11 maart 1979, heeft de Raad niet tot een ander standpunt
kunnen brengen. Het momemt waarop aan art. 26 IVBPR rechtstreekse werking
toekomt kan – voorzover het niet door de wetgever is bepaald – alleen door de
nationale rechter worden vastgesteld

Op grond van bovenstaande overwegingen heeft de Raad vast moeten stellen
dat klaagster aan de WWV geen aanspraken kan ontlenen voor 23 december 1984,
omdat tot die datum het bepaalde in art. 13, eerste lid, onder 1 aan het recht
op een uitkering in de weg blijft staan

De bestaande jurisprudentie inzake de WWV, in recente uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep van 10 en 19 mei 1988 bevestigd, leert dat het recht
op een WWV-uitkering – ongeacht de datum van aanvrage – ontstaat op het moment
dat betrokkene voldoet aan het bepaalde in art. 2 en 9 , eerste lid, van de
WWV en zich geen uitsluitingsgrond voordoet als bedoeld in art. 13, eerste
lid

Dit betekent dat de vraag of klaagster recht heeft op een WWV- uitkering
beoordeeld moet worden naar de situatie op 23 december 1984 en de Raad dus
voor de vraag staat of klaagster op die datum voldeed aan het bepaalde in art.
2 en art. 9, eerste lid van de WWV

De Raad heeft zich echter gerealiseerd dat met deze beoordeling niet
volledig recht wordt gedaan aan de hierboven geciteerde overweging van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest D. c.s., namelijk
voorzover daarin sprake is van een vrouw die zich in een gelijke situatie
bevindt

Voor een vrouw die voor 23 december 1984 werkloos is geworden of van wie
het recht op een WW-uitkering voor 23 december 1984 is geeindigd, is het recht
op een WWV-uitkering niet eerder kunnen ontstaan vanwege een discriminerende
bepaling in de wet. Zij is dus niet te vergelijken met een man die – om
welke reden dan ook – zelf zijn aanvraag om een uitkering heeft uitgesteld tot
23 december 1984 of later, maar hoogstens met een man die voor het ingaan van
zijn recht op een WWV-uitkering getroffen was door een van de anderen
uitsluitingsgronden van art. 13, eerste lid

Om het effect van de discriminerende bepaling in art. 13, eerste lid,
onder 1, van de WWV zoveel mogelijk te beperken dient daarom naar het oordeel
van de Raad de vraag of klaagster voldoet aan het bepaalde in art. 2 en art.
9, eerste lid, van de WWV eerst beantwoord te worden naar de situatie op de
eerste dag van de werkloosheid respectievelijk de dag waarop de WW- uitkering
is beeindigd. Zo deze vraag naar de situatie op dat moment bevestigend
beantwoord is, moet aangenomen worden dat klaagster ook op 23 december 1984
aan die voorwaarden voldeed en daarna daaraan is blijven voldoen, tenzij het
tegenovergestelde duidelijk gebleken is

Voor wat betreft de toetsing aan de bepaalde in art. 2 en art. 9 eerste
lid, van de WWV meent de Raad vast te moeten houden aan de jurisprudentie van
de Centrale Raad van Beroep inhoudende dat in het algemeen werknemerschap in
de zin van de WWV aangenomen mag worden, indien voorafgaand aan de
werkloosheid in loondienst gewerkt is en dat als werkloos beschouwd mag
worden: ‘diegene die in betekenende mate niet in voor hem normale omvang werk
heeft en wiens blijvende arbeidsongeschiktheid of wiens geheel van bezigheden
aan een reele beschikbaarstelling voor het arbeidsproces niet in de weg staat.’
(Centrale Raad van Beroep 25 januari 1989, WWV 1988/12, JSV 1989/108) De
Raad heeft zich bij deze toetsing voorts nog laten leiden door de overwegingen
van de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 24 augustus 1988 (WWV
1988/25, JSV 1988/324): ‘Het gaat naar ’s Raads mening te ver onder die
omstandigheden te spreken van het feitelijk ontbreken van reeele
beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, nog in aanmerking genomen dat er ook
geenaanwijziging is dat mevrouw A zelf een poging tot het verkrijgen van
arbeid na 24 april 1986 achterwege heeft gelaten of er op andere wijze blijkt
van heeft gegeven niet meer werk te ambieren dan zij in feite vanaf dat
tijstip had

Een andere vraag is of mevrouw A mogelijk te kort is geschoten door zich
te beperkt ter beschikking te stellen, onvoldoende activiteiten te ondernemen
om beschikbaarheid te realiseren en/of haar inschrijving bij het GAB in
augustus 1986 te laten verlopen. Wat dit betreft onderschrijft de Raad de
mening van de raadsvrouwe van mevrouw A dat zodanig tekortschieten van mevrouw
A niet kan worden beantwoord door haar ingaande 24 april 1986 niet
(gedeeltelijk) werkloos te achten, zoals is geschied, maar door het eventueel
toepassen van een maatregel als bedoeld in art. 14, eerste lid, aanhef en sub
g of h, van de WWV. ‘

De Raad wil hieraan (ten overvloede, want het toepassen van sancties is
in dit geding niet aan de orde) nog toevoegen dat het toepassen van een
sanctie als bedoeld in art. 14 van de WWV wegens het niet verlengen van de
inschrijving bij het GAB in het geval klaagster, die op grond van een
discriminerende bepaling in de WWV van het recht op uitkering werd
uitgesloten, door hem niet in overeenstemming met de redelijkheid geacht
wordt

Voor wat betreft het toepassen van een sanctie wegens onvoldoende
activiteiten gericht op het vinden van nieuw werk doen zich door het
tijdsverloop andere problemen voor. De Raad is van oordeel dat in de
situatie als hier ter sprake het risico van het niet meer kunnen aantonen van
sollicitatieactiviteiten niet (volledig) voor rekening van klaagster mag komen
en dat derhalve van verweerder ten aanzien van het toepassen van art. 14 een
terughoudende opstelling verwacht mag worden

De Raad is van oordeel dat de bestreden beslissing in het licht van
bovenstaande overwegingen geen stand kan houden. Op de eerste
werkloosheidsdag was klaagster zeker aan te merken als werknemer in de zin van
de WWV en was zij werkloos in de zin van art. 9, eerste lid, van de WWV

Hoewel er ook bij de Raad enige twijfel bestaat over klaagsters
beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in de hierop volgende periode, heeft de
Raad uit de beschikbare gedingstukken en de verklaring van klaagster ter
terechtzitting niet als vaststaand kunnen afleiden dat klaagster zich in een
later stadium en op 23 december 1984 in het geheel niet meer beschikbaar heeft
willen stellen voor de arbeidsmarkt of dat zij zozeer door andere bezigheden
in beslag is genomen, dat aan haar beschikbaarheid geen reele betekenis
toegekend kan worden. Voor het niet kunnen vinden van een nieuwe functie
kan ook het feit, dat klaagster geen Nederlandse van geboorte is en de daaruit
voortvloeiende taalproblemen, een verklaring zijn, terwijl ook klaagsters
opleiding de toegang tot de arbeidsmarkt niet vergemakkelijkt zal hebben.
De Raad heeft ook nog overwogen of klaagsters verminderde arbeidsgeschiktheid
aan een beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in de weg gestaan heeft. De
Raad heeft echter geconcludeerd dat deze verminderde arbeidsgeschiktheid
voldoende vertaling heeft gevonden in de mededeling van klaagster, dat zij
zich steeds ook beperkt beschikbaar heeft gesteld voor arbeid, zodat daaraan
verder geen gevolgen verbonden dienen te worden

De Raad is van oordeel – mede in het licht van bovenstaande overwegingen
– dat de bestaande twijfel in het voordeel van klaagster uitgelegd dient te
worden

Het beroep van klaagster is dan ook gegrond bevonden

Beslissing

Gegrondverklaring van het beroep

Nietigverklaring van de bestreden beslissing met de bepaling, dat
verweerder een nieuwe beslissing zal nemen met inachtneming van hetgeen in
deze uitspraak is overwogen

Bepaling dat verweerder aan klaagster het door deze betaalde
griffierecht zal vergoeden

Rechters

onbekend