Instantie: President van de arrondissementsrechtbank Haarlem, 4 augustus 1989

Instantie

President van de arrondissementsrechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres wil dat de president R. een straatverbod oplegt onder verbeurte
van een dwangsom en met de mogelijkheid voor eiseres om lijfsdwang toe te
passen. Voorts vordert zij een schadevergoeding ter hoogte van ƒ 5.000,–
(vijf duizend gulden)

Tussen partijen staat vast dat eiseres in de periode van 1978 tot 1980
als wees was opgenomen in pleeggezin dat bestond uit R. en zijn ouders. In
1979 en 1980 hebben eiseres en gedaagde meermalen met elkaar gemeenschap
gehad. Dit heeft zich in 1989 herhaald

Eiseres heeft aangifte gedaan van verkrachting in de zin van art. 242
Sr. Deze zaak is door de Officier van Justitie geseponeerd. Eiseres wil
een voorschot op de te vorderen schadevergoeding omdat dit zal bijdragen aan
de psychische verwerking van haar in deze periode aan de orde zijnde
traumatische ervaringen

Volgens de president is ook in aangelegenheden als deze en ook wanneer
zij in kort geding aan de orde zijn, een in de orde van de feiten voldoende
vastgestelde basis voorwaarde voor de toewijsbaarheid van de gevraagde
voorzieningen, waaraan de gestelde ongewenste seksuele handelingen ten
grondslag zijn gelegd

Partijen hebben beiden zowel ter terechtzitting als tegenover de politie
diametraal tegenover elkaar staande verklaringen afgelegd. Er is, volgens
de president, onvoldoende grond om een der verklaringen als doorslaggevend aan
te merken. Daarom wordt het gevorderde afgewezen

Volledige tekst

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1. Ter terechtzitting van 26 juli 1989 heeft eiseres overeenkomstig
het exploit van dagvaarding, behoudens een – buiten procesrechtelijk bezwaar
van gedaagde – bij conclusie gedane wijziging van eis met betrekking tot het
onder 1. gevorderde, geconcludeerd voor eis dat de President bij vonnis,
uitvoerbaar bij voorraad voor zover mogelijk:

1. gedaagde zal verbieden te komen binnen of zich te bevinden binnen dat
gedeelte van Assendelft, gemeente Zaanstad dat begrensd wordt door de
Delftlaan, Beemsterstraat, Brandakker, Guurtjesmarken, Marskamp, Waterschot
tot en met de Dorpstraat zoals met blauw omlijnd op de aan de dagvaarding
gehechte kaart aangegeven;

2. gedaagde zal verbieden op welke wijze dan ook in contact te treden
met eiseres;

3. onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,- voor elke keer dat
gedaagde het verbod onder (lees: 1) en/of (lees: 2)overtreedt, tevens met
machtiging aan eiseres dit verbod desnoods bij lijfsdwang ten uitvoer te
leggen door gijzeling voor de duur van vijf maal vierentwintig uur voor elke
keer, dat gedaagde dit verbod overtreedt;

4. gedaagde zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van ƒ
5.000.– te voldoen op de dag waarop dit vonnis betekend zal worden;

5. gedaagde zal veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder
het niet in debet gestelde deel van het griffierecht en de voor
rechtsbijstand verschuldigde eigen bijdrage

1.2. Eiseres heeft haar vordering doen toelichten bij monde van haar
procureur. Deze heeft zich daarbij bediend van een pleitnota die zij, met
produkties, heeft overgelegd

1.3. Gedaagde heeft zich tegen de vorderingen verweerd

Dit verweer is uitgemond in de conclusie dat de President de vorderingen
van eiseres zal afwijzen, met haar veroordeling in de kosten van de procedure

1.4. Gedaagde heeft eveneens bij monde van zijn procureur verweer
gevoerd, die daartoe een pleitnotitie heeft gehanteerd welke hij, met
produkties, in het geding heeft gebracht

1.5. In tweede termijn hebben partijen volhard bij hun onderscheiden
standpunten

1.6. Tenslotte hebben zij de stukken overgelegd voor vonnis

De uitspraak daarvan is bepaald op heden

2. HET GESCHIL VAN PARTIJEN

2.1.De vaststaande feiten

2.1.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend danwel niet of
onvoldoende gemotiveerd bestreden, alsmede op basis van overgelegde stukken,
voor zover niet betwist, staat in dit geding tussen partijen het volgende
vast:

a. In de periode van 1978 tot 1980 is eiseres – thans 28 jaar oud – als
wees opgenomen geweest in een pleeggezin, dat bestond uit de echtelieden K.
en hun zoon Richard – thans 27 jaar oud-, zijnde gedaagde

b. In omstreeks 1979 en 1980 hebben eiseres en gedaagde meermalen met
elkaar geslachtsgemeenschap gehad

c. Vanaf omstreeks 1981 tot omstreeks begin 1988 is het contact tussen
eiseres enerzijds en zowel genoemde pleegouders als gedaagde anderzijds
verbroken geweest

d. Naar aanleiding van een daartoe strekkend, bij brief van 8 december
1987 gedaan, verzoek van eiseres, is omstreeks 1988 het contact tussen
eiseres en haar pleegouders hersteld. Daarbij is eiseres eveneens wederom in
contact gekomen met gedaagde, hetgeen ertoe heeft geleid dat in februari 1989
en op 5 juni 1989 eiseres gedaagde respectievelijk gedaagde eiseres in zijn
respectievelijk haar woning heeft bezocht

e. Gedurende het bezoek in februari 1989 hebben eiseres en gedaagde
seksueel contact met elkaar gehad. Op 5 juni 1989 hebben zij met elkaar
geslachtsgemeenschap gehad

f. Sedert enige maanden is eiseres onder behandeling van A. van de Belt,
sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, verbonden aan de Stichting Riagg
Zaanstreek/-Waterland

g. Eiseres heeft op 19 juni 1989 bij de gemeentepolitie Zaanstad
aangifte gedaan van verkrachting als bedoeld in artikel 242 WSr, door
gedaagde meermalen jegens haar gepleegd. Van deze aangifte en het
daaropvolgend verhoor van gedaagde is proces-verbaal opgemaakt

h. Vervolgens is gedaagde gedurende ongeveer achtenveertig uren in
verzekering gesteld

i. Hierna heeft de officier van Justitie van het arrondissementsparket
Haarlem bedoelde strafzaak tegen gedaagde geseponeerd wegens gebrek aan
bewijs

j. Eiseres bewoont met haar gezin – haar echtgenoot en twee kinderen –
een woning aan de (…) te Assendelft, gemeente Zaanstad. Deze straat is
gesitueerd in de onder 1.1. weergegeven sector van Assendelft

k. Gedaagde woont in Krommenie

l. Gedaagde is in der minne niet bereid aan de gevraagde voorzieningen
te voldoen

2.2. De grondslag van de vordering

2.2.1. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aan haar vorderingen
ten grondslag gelegd, stellend daarbij een spoedeisend belang te hebben

2.2.2. De onder 2.1. genoemde geslachtsgemeenschap met gedaagde, die
overigens ook in februari 1989 plaatshad, geschiedde telkens onder dwang van
gedaagde tegen de wil van eiseres. Eiseres bleek telkens (fysiek) niet in
staat zich tegen de verkrachtingen te verzetten

2.2.3. Eiseres voelt zich door gedaagde bedreigd en heeft mede in het
licht van het feit, dat gedaagde op 5 juni 1989 haar woning tegen haar wil is
binnengedrongen, gegronde vrees dat gedaagde, die regelmatig in Assendelft
komt, haar opnieuw zal verkrachten

2.2.4. Als gevolg van bedoeld onrechtmatig handelen van gedaagde heeft
eiseres immateriele schade geleden en lijdt zij deze nog steeds. Het
verzochte voorschot op de te vorderen schadevergoeding zal bijdragen aan de
psychische verwerking van haar in deze procedure aan de orde zijnde
traumatische ervaringen

2.2.5. In kort geding mag worden afgeweken van de in een
civielrechtelijke procedure bij de gewone rechter geldende bewijsregels. Dit
betekent dat eiseres haar stellingen in deze slechts aannemelijk behoeft te
maken

2.3. Het verweer van gedaagde

2.3.1. Gedaagde heeft tegen de vorderingen gemotiveerd verweer gevoerd,
dat naar de kern weergegeven hierop neerkomt dat gedaagde de gestelde
verkrachtingen betwist in die zin, dat de onder 2.1. genoemde seksuele
contacten met instemming van eiseres op basis van een vrije relatie en zonder
dwang zijn geschied

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1. De kern van het geschil van partijen betreft de vraag of gedaagde
zich heeft schuldig gemaakt aan (een van) de door eiseres gepretendeerde
verkrachtingen

Algemeen

3.2. Bij de beoordeling van deze vraag wordt in zijn algemeenheid
vooropgesteld, dat het in deze gaat om een beschuldiging van het plegen van
ongewenste seksuele handelingen en derhalve om aangelegenheden die emotioneel
diep ingrijpend zijn en zowel slachtoffer als beschuldigde essentieel treffen
û
hun persoonlijke levenssfeer. Ook in aangelegenheden als deze en ook
wanneer zij in kort geding aan de orde zijn, is een in de orde van de feiten
voldoende vastgestelde basis voorwaarde voor de toewijsbaarheid van de
gevraagde voorzieningen, waaraan de gestelde ongewenste seksuele handelingen
ten grondslag zijn gelegd

3.3. Ten deze doen zich veelal ten detrimente van het slachtoffer
problemen voor op het terrein van de bewijslevering, daar immers bedoelde
handelingen zich bijna altijd afspelen in beslotenheid en zonder getuigen

3.4. In het licht daarvan en gezien de omstandigheid dat bij de huidige
stand van de bewijstechniek het slachtoffer weinig adequate bewijsmiddelen
ten dienste staan, komt de gedachte op om in bedoelde zaken minder stringente
eisen aan de bewijslevering te stellen, dan in gevallen waaraan een zo
persoonlijk en intiem karakter ontbreekt

3.5. Deze gedachte moet worden verworpen. Immers niet alleen is het
belang van degene, die stelt slachtoffer te zijn, bij afdoende bewijslevering
van door hem/haar gepretendeerde handelingen als bedoeld in het geding, maar
evenzeer is het belang van de als dader van die handelingen beschuldigde
persoon bij voldoende ontzenuwing van de omstreden beschuldiging aan de orde.
Beide belangen kunnen uitsluitend dan worden gediend wanneer de
bewijslevering geschiedt volgens rechtssystematisch gewaarborgde regels, die
niet kunnen leiden tot de aanvaarding van de onder 3.4. geformuleerde
gedachte. Dit uitgangspunt geldt ook in het geding

3.6. Inachtneming van dit uitgangspunt kan er in de praktijk toe leiden
dat zich een kloof voordoet tussen datgene wat naar civielrechtelijke
maatstaven gemeten bewijsbaar is en hetgeen in werkelijkheid heeft
plaatsgevonden

Dat rechtens gebrek bestaat aan mogelijkheden om deze kloof te
overbruggen, zal – naar kan worden aangenomen – door het slachtoffer als zeer
pijnlijk worden ervaren. Voor de rechtsorde is echter handhaving van
genoemde regels van verder strekkende betekenis, waaraan derhalve niet kan
worden afgedaan

Concreet

3.7. Onder hantering van het onder 3.5. geformuleerde uitgangspunt zal
in het navolgende worden beoordeeld of voldoende bewijsmateriaal voorhanden
is om de onder 3.1. weergegeven vraag bevestigend te beantwoorden

3.8. Met betrekking tot deze vraag hebben partijen zowel ter
terechtzitting als tegenover de politie, zoals daarvan uit het
politie-proces-verbaal blijkt, diametraal tegenover elkaar staande
standpunten ingenomen. Elk van deze verklaringen biedt onvoldoende
aanknopingspunt om het waarheidsgehalte van de verklaring van de een boven
dat van de verklaring van de ander verheven te achten. Getuigenbewijs en/of
andere bewijsmiddelen zijn door (een der) partijen niet aangedragen. Er is
derhalve onvoldoende grond om een der verklaringen als doorslaggevend aan te
merken

3.9. Dit betekent, dat op basis van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal
niet valt uit te sluiten dat tussen eiseres en gedaagde in het verband van de
toedracht der in deze relevante gebeurtenissen een relatie heeft bestaan als
door gedaagde geschetst. Dit brengt mee dat de deugdelijkheid van de
feitelijke grondslag van de gevraagde voorzieningen onvoldoende is komen vast
te staan om deze te kunnen dragen

Slotsom

3.10. De gevraagde voorzieningen zullen ook moeten worden geweigerd.
Eiseres zal in de proceskosten worden verwezen daar zij in het ongelijk is
gesteld. Deze proceskosten moeten op de voet van artikel 57 b BRv. worden
voldaan aan de griffier van deze rechtbank, nu aan gedaagde een toevoeging is
verleend krachtens de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden

4. BESLISSING

De President, rechtdoende in kort geding:

4.1. Weigert de gevraagde voorzieningen;

4.2. Veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, aan de zijde
van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 250,– aan
verschotten en ƒ 700,– aan procureurssalaris, te voldoen aan de griffier
van deze rechtbank

Rechters

Mr. H.F. van der Haak, president van de arrondissementsrechtbank