Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 5 januari 1989

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De feitelijke situatie op de Amsterdamse VWO- scholen met betrekking tot
de ondervertegenwoordiging van vrouwen rechtvaardigt de toepassing van een
voorkeursbeleid voor vrouwelijke kandidaten. Bij de keuze voor een
referentiekader dienen tevens de landelijke verhoudingen op de VWO-scholen
in aanmerking te worden genomen.

Volledige tekst

President Rechtbank (29-11-1988) ( …) h. De gemeenteraad benoemt de
nieuwe rector op voordracht van B. en W. die volgens de Wet
Medezeggenschap Onderwijs en het Medezeggenschapsreglement Gemeentelijke
Scholen Amsterdam daarvoor eerst advies moeten vragen aan de MR. Ook de
conrectoren van de school (eisers sub 3) moeten worden gehoord. Art. 27,
lid 6, van het reglement schrijft B. en W. voor, indien zij het advies van
de MR niet of niet geheel overnemen, daarvoor de redenen op te geven. De
gemeente pleegt bij de benoeming van schoolhoofden een vaste gedragslijn
te volgen, vastgelegd door haar ambtenaren in een stuk, door eisers
overgelegd als prod. 16. Deze Leidraad is ter hand gesteld aan de leden
van de door de MR terzake van de benoeming van de nieuwe rector
samengestelde Benoemingsadviescommissie (BAC). Daarin staan onder F,
tweede alinea: ‘Het Bevoegd Gezag zal het advies van de MR over de
voorgestelde kandidaten zwaar laten wegen bij de uiteindelijke voordracht
aan de Gemeenteraad. Wel is het zo dat Burgemeester en Wethouders naast
het veranderen van de volgorde van de kandidaten op de voordracht ook
sollicitanten kunnen toevoegen aan of afvoeren van de concept-voordracht
van de Wethouder voor het Onderwijs’. ( …) Bij brief van 10 november
1988 aan de MR hebben B. en W. opgave gedaan van de redenen, waarom zij
het advies van de MR niet hebben gevolgd. Naar het inzicht van B. en W.,
dat zij schrijven te hebben verkregen uit het gesprek van de wethouder met
de beide kandidaten, hun referenties en de uitslag van de psychologische
test, voldoen dezen aan de functie-eisen en zijn zij geschikt voor de
functie.

2. De veranderde vordering strekt ertoe dat B. en W. wordt bevolen de
voordracht in te trekken, althans de gemeenteraad wordt verboden een van
beide kandidaten te benoemen, zodat een nieuwe sollicitatieronde kan
worden begonnen, waaraan ook mannen kunnen deelnemen. Meer subsidiair
verlangen eisers dat de MR nogmaals advies wordt gevraagd.

3. Voor de vaststelling dat vrouwen in functies als de onderhavige
ondervertegenwoordigd zijn, heeft de gemeente (uiteindelijk) slechts
gekeken naar 2 arbeidsplaatsen. Dat toetsingskader is van een zodanig
geringe omvang, dat daarop nimmer het oordeel kan worden gebaseerd dat
sprake is van een feitelijke ongelijkheid als bedoeld in het vierde lid,
onder c, van art. 1 WGBO. Beziet men echter de situatie op de 10
Amsterdamse scholen voor het VWO, zoals hiervoor onder 1a weergegeven, dan
is op het eerste gezicht wel degelijk sprake van een achterstand van
vrouwen die het voorkeursbeleid van de gemeente rechtvaardigt. Het lijkt
onjuist om, zoals de Commissie Gelijke Behandeling voorstaat, de
vergelijking te beperken tot die scholen, waarover de gemeente
rechtstreeks zeggenschap heeft. Eerder lijkt een ruimer kader aangewezen,
waarin de landelijke verhoudingen op de VWO-scholen mede in aanmerking
worden genomen. Partijen hebben zich in dit geding niet over andere
criteria uitgelaten. Feitelijke gegevens over de situatie buiten Amsterdam
ontbreken. Dit brengt mee dat er in dit geding vanuit moet worden gegaan
dat vrouwen in functies als die van rector van het Barlaeusgymnasium
ondervertegenwoordigd zijn.

4. Op de wijze, waarop de gemeente de achterstand wil opheffen, hebben
eisers kritiek uitgeoefend omdat zij menen dat de beste vrouwelijke
kandidaten niet zullen meedingen zolang zij zich niet tevens met mannen
kunnen meten, maar de WGBO en de verdragen inzake gelijke behandeling van
mannen en vrouwen laten de selectie van in eerste instantie alleen vrouwen
toe. De gemeente wil dit zware middel toepassen tot haar norm van 40 % is
gehaald. Dit percentage ligt onder het percentage vrouwelijke docenten op
de gemeentelijke scholen. Het standpunt van eisers dat het gekozen middel
in een wanverhouding staat tot het door de gemeente beoogde doel kan
daarom niet worden aanvaard.

5. De stelling van eisers dat de gemeente handelt in strijd met de
wettelijke regelingen en verdragen inzake de gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, gaat dus niet op.

6. Dat laat onverlet dat de gemeente een verkeerde maatstaf heeft gekozen
voor haar vaststelling dat een achterstandssituatie bestaat. De gemeente
heeft zich in het Kroonberoep op deze maatstaf vastgelegd en op grond
daarvan besloten de geschorste procedure te hervatten. Daaruit is de
voordracht voortgevloeid. Als bekend waren alleen vrouwen uitgenodigd te
solliciteren. Aan de beslissing de benoemingsprocedure te hervatten lag
dus een ondeugdelijke afweging ten grondslag. De voordracht die daarop is
gevolgd, is dan ook niet naar behoren voorbereid.

7. Ook in een tweede opzicht is de voordracht niet behoorlijk tot stand
gekomen. Weliswaar staat het B. en W. volgens de Wet Medezeggenschap
Onderwijs en het Medezeggenschapsreglement vrij naar believen af te wijken
van het advies van een MR inzake de aanstelling van een nieuw schoolhoofd,
maar B. en W. hebben zich door de uitgifte van de Leidraad aan de leden
van de BAC in die vrijheid beperkt. De onder 1 h hiervoor geciteerde
passage uit de Leidraad laat geen andere uitleg toe dan dat B. en W.
alleen in uitzonderlijke omstandigheden geheel en al aan het advies van
de MR voorbij kunnen gaan. Het voorschrift van art. 27, lid 6, van het
reglement eist dat in dat geval in de motivering waarom van het advies
wordt afgeweken van die uitzonderlijke omstandigheden blijkt. Daarvan is
geen sprake, hoewel B. en W. te dezen een geheel andere weg zijn
ingeslagen dan hen was geadviseerd.

8. Immers, op de werkwijze van de BAC (op de bevindingen van welke
commissie het advies van de MR was gebaseerd) hadden en hebben B. en W.
geen aanmerkingen. Hun waarnemers waren bij de besluitvorming van de BAC
betrokken. In hun brief van 10 november 1988 hebben zij geen feiten of
argumenten aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de BAC
zich zozeer heeft vergist dat haar standpunt onhoudbaar is. In de brief
staat niet meer dan dat de wethouder na een persoonlijk gesprek met de 2
sollicitanten en op basis van hun referenties en de uitslag van hun
psychologische test de beide kandidaten geschikt heeft geacht, terwijl hun
hiervoor onder 1 k vermelde kwalificaties niet wijzen op een
uitzonderlijke bekwaamheid.

9. Bovendien hadden B. en W. reeds in de gegeven omstandigheden – dus los
van het bepaalde in het reglement – aanleiding moeten zien om hun besluit,
deze kandidaten voor te dragen, van een motivering te voorzien die aan de
zwaarste eisen kan voldoen. Niet alleen de MR maar ook de Rijksinspecteur
en de conrectoren hebben immers als hun oordeel uitgesproken dat deze
kandidaten niet voor benoeming in aanmerking behoren te komen, terwijl de
als nummer 1 geplaatste kandidaat zelfs de tweede gespreksronde met de BAC
niet heeft gehaald.

10. In de benoemingsprocedure hebben B. en W. geen andere fouten gemaakt.
Eisers hebben hun standpunt dat aan de voordracht formele gebreken kleven
in zoverre gehandhaafd, dat volgens hen aan de MR alsnog advies over de
beide kandidaten zou moeten worden gevraagd. Dit standpunt vindt echter
geen steun in de wet of het reglement en het nogmaals horen van de MR is
ook zinloos, omdat de MR zich al over de kandidaten heeft uitgelaten en
zijn visie aan B. en W. bekend is.

11. De voordracht is dus in tweeerlei opzicht gebrekkig. Deze gebreken
zijn naar hun aard in beginsel te repareren. De voordracht is immers niet
voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. Formele fouten, waardoor
aan de medezeggenschapsrechten van eisers te kort is gedaan, zijn niet
gemaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de gemeenteraad zal kunnen
beschikken over alle gegevens, vereist om rekening houdend met de bezwaren
van eisers tot een beslissing op de voordracht te komen.

12. Onder deze omstandigheden blijft het in de eerste plaats aan de
gemeenteraad voorbehouden om op de voordracht te beslissen. Het is immers
eveneens in de eerste plaats aan de gemeenteraad om te oordelen over de
daarbij gemaakte fouten. Over de vraag of tot een poging tot herstel
daarvan zal worden overgegaan, beslist alleen de gemeenteraad. Mocht de
raad de voordracht zonder meer overnemen, dan staat daartegen voor eisers
een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open. 13. Thans is
derhalve voor een ingrijpen Onzerzijds geen plaats. Eisers worden als de
in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

Beslissing: 1. Weigert de gevraagde voorziening ( …).

President Rechtbank (5-1-1989)

Verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 16 december 1988 hebben eisers gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met
dien verstande dat zij zonder bezwaar van gedaagde, de gemeente, aan het
onder I sub 2 van het petitium gevorderde hebben toegevoegd: “en de
gemeente te gebieden zodanige besluiten en zodanige handelingen, voor
zover reeds genomen of verricht, in te trekken en/of ongedaan te maken,
en/of: die besluiten en handelingen te schorsen en/of buiten effect te
stellen.” De gemeente heeft de aldus vermeerderde vordering bestreden. Als
informanten zijn gehoord J. Nabuurs, personeelsconulent verbonden aan de
Afdeling Onderwijs van de gemeente, en drs G.H.M. Kapteijns, conrector aan
het Barlaeusgymnasium. Daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt. Na verder
debat hebben partijen onder overlegging van stukken, waaronder weerszijden
pleitaantekeningen en produkties, vonnis gevraagd.

Gronden van de beslissing

1. Na Ons vonnis van 29 november 1988 (zie boven) hebben Burgemeesters en
Wethouders van Amsterdam hun voordracht aan de Gemeenteraad van Amsterdam
om mevrouw Drs L te benoemen tot rector van het Barlaeusgymnasium
gehandhaafd, zij het dat B&W daarbij een nadere notitie hebben gevoegd en
zij eiseres sub 1, verder de MR, op 30 november 1988 zowel mondeling als
schriftelijk een nadere uiteenzetting hebben gegeven om welke redenen zij
het advies van de MR niet hebben gevolgd. De gemeenteraad heeft vervolgens
op 30 november 1988 mevrouw L tot rector van de school benoemd, waarna B&W
hebben besloten dat de benoeming ingaat uiterlijk op 1 maart 1989. Het
vonnis van 29 november geldt als hier opgenomen; de notitie van B&W van
30 november en hun brief van die dag aan de MR zijn in fotokopie aan dit
vonnis gehecht.

2. Eisers achten de door B. en W. met de notitie en de brief ondernomen
poging de gebreken in de (totstandkoming van) de voordracht te herstellen
niet geslaagd. Zij menen bovendien dat de gebreken daarin nog steeds van
dien aard zijn dat de gemeenteraad de voordracht niet heeft mogen
overnemen. De benoeming achten zij daarom jegens hen onrechtmatig. Hun
vordering strekt ertoe dat de benoeming ongedaan wordt gemaakt, althans
dat daaraan geen uitvoering wordt gegeven. Zij vorderen daarnaast dat een
nieuwe sollicitatieronde in gang wordt gezet waaraan ook mannen zullen
kunnen deelnemen.

3. Uit de in de notitie opgenomen (en op zich door eisers niet betwiste)
cijfers blijkt dat landelijk gezien in het schooljaar 1986/1987 in het
algemeen voortgezet onderwijs (naast VWO ook HAVO en MAVO) meer dan 40 %
van de docenten een vrouw was; het percentage vrouwelijke directeuren van
die scholen bedroeg slechts 1,5. Geen van de rectores van de gymnasia was
een vrouw. Een uitsplitsing naar de landelijke verhoudingen op scholen
voor het VWO ontbreekt. De cijfers voor het VWO in Amsterdam zijn te
vinden in Ons vonnis van 29 november: 10 scholen met op 1 september 1987
7 mannelijke en 3 vrouwelijke directeuren, terwijl van de docenten
ongeveer de helft (naar uren 40 %) vrouw was.

4. De verhoudingen in Amsterdam zijn dus minder scheef dan in de rest van
het land. Daaraan valt echter niet een argument te ontlenen dat in
Amsterdam geen achterstand bestaat. Integendeel, het percentage vrouwen
dat als docent in het VWO in Amsterdam werkzaam is, overtreft naar alle
waarschijnlijkheid het landelijke percentage, terwijl in elk geval in
Amsterdam en waarschijnlijk ook landelijk gezien van een aan het
percentage vrouwelijke docenten op die scholen evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in de directie daarvan geen sprake is.
Aangenomen kan daarom worden dat evenals in Amsterdam ook in de rest van
het land vrouwen tot op heden uit directiefuncties in het VWO worden
geweerd en dus in dat opzicht hun toegang tot de arbeidsmarkt wordt
belemmerd. De landelijke cijfers versterken dus het gemeentelijk standpunt
dat sprake is van een feitelijke ongelijkheid als bedoeld in de
uitzonderingsbepaling van de WGBO. De gemeente mag om die reden streven
naar een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding.
Zij mag daarbij ook de Amsterdamse openbare scholen die niet rechtstreeks
onder haar gezag vallen, meetellen, omdat zij grote invloed kan uitoefenen
op het benoemingsbeleid van de deelraden.

5. Met hun nadere notitie hebben B. en W. derhalve de selectie van louter
vrouwen voor de benoeming tot rector van het Barlaeusgymnasium alsnog van
een voldoende onderbouwing voorzien. De voordracht die daarop is gevolgd
kan thans wat dat betreft de toets der kritiek doorstaan, zodat het
raadsbesluit in zoverre eveneens zonder smet is.

6. B. en W. hebben – blijkens hun nadere uiteenzetting aan de MR van 30
november zoals ook te lezen valt in hun notitie aan de gemeenteraad – het
advies van de MR niet gevolgd, omdat naar hun inzicht de MR in zijn advies
niet heeft vastgehouden aan de voor de vervulling van de vacature
opgestelde en door de MR aanvaarde functie-eisen, maar zwaardere eisen
heeft gesteld. De school wenste namelijk volgens B. en W. – kort gezegd
– een kandidate die ‘een tien haalde’ en die bovendien kon bogen op
leidinggevende ervaring. Die eis was juist bij de vaststelling van de
functie-eisen vervangen door de eis dat de kandidaat in staat zou zijn
leiding te geven, omdat vrouwen als gevolg van hun achterstandspositie die
ervaring niet plegen te hebben.

7. De gemeente heeft de door een van haar waarnemers uitgeoefende kritiek
op het functioneren van de Benoemingsadviescommissie, welke kritiek
trouwens door eisers van de hand wordt gewezen, niet tot de hare willen
maken. Tot uitgangspunt dient dan ook dat de BAC zich op behoorlijke wijze
van haar taken heeft gekweten voor zover dit haar selectie van en haar
gesprekken met de kandidaten heeft betroffen. Resteert dus de vraag of uit
het advies van de MR moet worden afgeleid dat de MR of BAC zich bij hun
beoordeling van de kandidaten niet aan de functie-eisen hebben gehouden
danwel of B. en W. (en met B. en W. de gemeenteraad) dit in het advies van
de MR hebben kunnen lezen.

8. Het laatste onderdeel van die vraag moet bevestigend worden beantwoord.
Het bij het advies van de MR gevoegde verslag van de BAC wekt de sterke
indruk dat voor de BAC een belangrijk criterium bij de toetsing van de
kandidaten is geweest of de betrokkene leidinggevende ervaring had. Dit
criterium vindt men herhaaldelijk terug in de samenvattingen van haar
oordeel over de kandidaten met wie zij gesproken heeft. Illustratief is
dat, zoals in de aanhef van het verslag van de BAC staat, dit criterium
ook heeft gediend bij haar eerste selectie van de kandidaten. B. en W. en
de gemeenteraad hebben dan ook in het verslag van de BAC en dus in het
advies van de MR kunnen lezen dat een verkeerde maatstaf bij de toetsing
van de kandidaten door de daarvoor door de MR aangewezen commissie was
aangelegd.

9. De gemeente kan er zich derhalve op beroepen dat B. en W. en met hen
de gemeenteraad in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat sprake was van
een uitzonderlijke omstandigheid waarin B. en W. aanleiding hebben mogen
zien het advies van de MR niet te volgen. Ditzelfde geldt de adviezen van
de conrectoren en de rijksinspecteur die – onbestreden – veel gewicht
hebben toegekend aan het gebrek aan leidinggevende ervaring van mevrouw
D. Dit brengt mee dat B. en W. met hun nadere uiteenzetting aan de MR op
30 november ook het tweede gebrek in de voordracht hebben hersteld, zodat
ook in dat opzicht niet kan worden gezegd dat het raadsbesluit
onzorgvuldig tot stand is gekomen.

10. De slotsom moet zijn dat voor toewijzing van de gevraagde
voorzieningen geen grond bestaat. Eisers worden in de kosten verwezen.

Beslissing

1. Weigert de gevraagde voorziening. 2. Veroordeelt eisers in de kosten
van het geding, tot deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot
op ƒ 250,= aan vastrecht en op ƒ 1.800,= aan procureurssalaris.

Rechters

Mr. Asscher