Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 december 1987

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Wederpartij deelt verzoekster naar aanleiding van haar sollicitatie
schriftelijk mede, dat de bij hem bestaande vacature voor ambtenaar
beroepszaken, gezien de samenstelling van de afdeling, vervuld diende te
worden door een man. Er werken op de afdeling in deze juridische functie
in totaal 6 mensen, waarvan 2 mannen. De vacature is ontstaan door het
vertrek van de 2 mannen. De Commissie oordeelt dat de mogelijkheid tot
voorkeursbehandeling ingevolge art. 5 WGB niet tot doel heeft binnen een
bepaalde organisatie dan wel een bepaalde afdeling een strikt gelijke
getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen. Bij
functies voor juristen kan niet gesproken worden van een
achterstandssituatie van mannen. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. De aanvraag.

1.1. Op 10 september 1987 heeft mevrouw X. uit … verder te noemen
aanvraagster, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid, verder te noemen de Commissie, verzocht haar zienswijze
kenbaar te maken ten aanzien van de vraag of door het
GAK-disctrictskantoor Haarlem, verder te noemen werkgever, ten nadele
van aanvraagster hetzij onmiddellijk, het middellijk onderscheid is
gemaakt tussen mannen en vrouwen dan wel onderscheid tussen gehuwden en
ongehuwden als bedoeld in de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (Stb. 1980, nr. 86) (WGB).

1.2. Aanvraagster had gesolliciteerd naar de functie van jurist bij de
afdeling beroepszaken van het GAK Amsterdam. Hiervoor kwam zij niet in
aanmerking, doch haar sollicitatiebrief werd doorgezonden naar de
werkgever.

Enige tijd later ontving aanvraagster een brief van werkgever waarin hij
meedeelde dat de bij hem bestaande vacature voor beambte beroepszaken
(m/v), gezien de toenmalige samenstelling van de afdeling, vervuld
diende te gaan worden door een man.

Telefonische navraag bij werkgever leerde aanvraagster het volgende:

Op de desbetreffende afdeling werkten 6 mensen op 5 formatieplaatsen : 2
mannen en 1 vrouw full-time en 2 vrouwen part-time. Het hoofd van de
afdeling (een vrouw) werkte full-time.

Doordat de 2 mannen wegens promotie vertrokken, onstonden twee
vacatures.

Voorts vernam aanvraagster dat de man-vrouw-verhouding bij werkgever
circa 60%-40% is, met een oververtegenwoordiging van vrouwen in de
lagere en een ondervertegenwoordiging van vrouwen in hogere functies.

1.3. De aangeboden functie op academisch niveau behoort tot de hogere
functieniveau’s. Het kan volgens aanvraagster niet de bedoeling zijn de
WGB zo toe te passen dat een overtegenwoordiging van vrouwen op een
afdeling, die wat functieniveau betreft behoort tot een categorie
functies, waar vrouwen nog veruit in de minderheid zijn, mag worden
gehanteerd als argument om in het geheel geen vrouwen in de
selectieprocedure te betrekken.

2. Het onderzoek

2.1. De Commissie heeft het verzoek van aanvraagster in behandeling
genomen en ter zake een onderzoek ingesteld teneinde na te gaan of ten
nadele van aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2.2. Artikel 3, eerste lid, WGB luidt:

Het is niet toegelaten in de advertentie waarin een betrekking
aangeboden wordt of bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen,
hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld door verwijzing naar
de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden.

Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing in die gevallen
waarin het geslacht bepalend is.

2.3. Werkgever heeft met betrekking tot de aanvraag schriftelijk
inlichtingen verstrekt op 5 oktober 1987.

Dit was voor aanvraagster geen aanleiding voor een nadere reactie.

Werkgever heeft tenslotte desgevraagd op 13 november 1987 aanvullende
informatie verstrekt.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunt
nader mondeling uiteen te zetten in een openbare Commissievergadering.

De Commissie heeft de aanvraag besproken in de vergadering van 10
december 1987.

3. Resultaten van het onderzoek

3.1. Werkgever deelt mee een voorkeur te hebben gehad voor een
mannelijke kandidaat, aangezien er op de desbetreffende afdeling sprake
was van een bezetting door 4 vrouwen en twee mannen, met dien verstande
dat deze twee mannen vertrokken naar hogere functies.

Uiteindelijk zijn twee mannen aangenomen.

3.2. In de interne advertentie werd gevraagd om een “beambte
beroepszaken m/v” zonder dat de voorkeur voor een man werd uitgesproken.

3.3. Een van de functie-eisen was een universitaire opleiding Nederlands
Recht, dan wel opleiding en ervaring op daarmee gelijk te stellen
niveau.

3.4. Desgevraagd deelt werkgever mee dat de bezetting 4 vrouwen/2 mannen
betrekking heeft op de juridische functie, n.l.:
-leider beroepszaken: vrouw
-beambten beroepszaken: 3 vrouwen en 2 mannen.
De administratie van de afdeling wordt verzorgd door 3 vrouwen.

4. Overwegingen van de Commissie

4.1. Op de bepaling van artikel 3 lid 1, WGB dat geen onderscheid mag
worden gemaakt tussen mannen en vrouwen bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking zijn slechts twee
uitzonderingen mogelijk:

1) Indien het geslacht bepalend is (art. 3, lid 1, WGB laatste zin);

2) Indien het gemaakte onderscheid beoogt personen van een bepaald
geslacht in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen (art. 5, WGB).

4.2. De Commissie is van mening dat de eerste uitzondering in casu niet
van toepassing is, terwijl daarop ook geen beroep is gedaan.

4.3. In relatie tot de tweede uizondering merkt de Commissie het
volgende op.

Uitgangspunt van de WGB is het zo veel mogelijk uitbannen van
onderscheid tussen mannen en vrouwen; het geslacht mag in principe geen
rol spelen.

De mogelijkheid tot voorkeursbehandeling is gecreeerd om een
“achterstand” van personen van een bepaald geslacht (met name vrouwen)
(sneller) ongedaan te maken.

De mogelijkheid tot voorkeursbehandeling heeft niet tot doel in een
bepaalde organisatie dan wel binnen een bepaalde afdeling een strikte
gelijke getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen te
bewerkstelligen.

4.4. Bij functies voor juristen kan niet gesproken worden van een
achterstandssituatie van mannen, zij het dat bij werkgever mannen in de
onderhavige functie (toevallig) wel getalsmatig in de minderheid zijn.

Om die reden is het naar de mening van de Commissie gezien de bedoeling
van de uitzonderingsmogelijkheid niet toegestaan bij de wervings- en
selectieprocedure een voorkeursbehandeling voor mannen toe te passen en
vrouwen vrijwel of geheel uit te sluiten als potentiele kandidaten.

5. Oordeel van de Commissie

5.1. De Commissie komt op grond van hetgeen in de vorige paragrafen is
vermeld tot het oordeel dat werkgever bij de onderhavige vacature een
voorkeursbehandeling toepaste voor mannen en daarmee een onderscheid
maakte tussen mannen en vrouwen.

De Commissie is van mening dat hoewel er bij werkgever minder (zelfs
geen) mannen dan vrouwen werkzaam zijn in de juridische functie van
beambte beroepszaken de toegepaste voorkeursbehandeling, waarbij vrouwen
vrijwel of geheel werden uitgesloten als potentiele kandidaten, niet is
toegestaan, gelet op de bedoeling van artikel 5, WGB, aangezien bij
functies voor juristen niet gesproken kan worden van een
achterstandssituatie van mannen.

5.2. De Commissie heeft vastgesteld dat door werkgever ten nadele van
aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel 3 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

5.3. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen heeft de Commissie haar zienswijze kenbaar gemaakt aan
aanvraagster en werkgever.

5.4. Aldus vastgesteld te ‘s-Gravenhage op 17 december 1987

Rechters

mr. J.A. van den IJssel, voorzitter; drs. M.J.M. van Randwijck-vande Poll, secretaris