Instantie: President Rechtbank Arnhem, 23 maart 1984

Instantie

President Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Een vrouw solliciteerde naar een baan in sociaal-cultureel werk.
Mondeling was de aanstelling al beklonken, toen zij vertelde dat zij zwanger
was. Daarop draaide de Stichting de aanstelling terug omdat de vrouw hen
voor “onoverkomelijke organisatorische en financiele problemen zou stellen.”
Een aangespannen kort geding werd verloren. Voor de bodemprocedure
bij de rechtbank werd eerst advies bij de Commissie Gelijke Behandeling
gevraagd

BESLISSING RECHTENVROUW: het gaat hier om een belemmering tot het
toetreden van de arbeidsmarkt die alleen vrouwen treft. Het niet aannemen
van zwangere vrouwen is discriminerend tegenover vrouwen

AFLOOP: de Commissie Gelijke Behandeling oordeelde negatief voor de
vrouw, zij was van oordeel dat er van onderscheid geen sprake was

Jaarverslag 1984 no. 6, 1985 no. 35

Volledige tekst

OVERWEEGT TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Eiseres heeft gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden
en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd zoals weergegeven in de hierna
opgenomen fotocopie van het exploit van dagvaarding

Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering der gevorderde voorziening,
kosten rechtens

De procureur van eiseres en de procureur van gedaagde hebben de zaak
bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij
hebben zij over en weer produkties in het geding gebracht

Ter terechtzitting zijn Mevrouw B. Lautenbach, de Heer G. van Wijk, de
heer C.F. van Zon en de Heer J.W. de Bruijn tot het geven van inlichtingen
gehoord

Tenslotte hebben partijen de processtukken voor vonnis overgelegd

OVERWEEGT TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1. Tussen partijen staat het enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan
wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en deels door de niet
betwiste inhoud der produkties gestaafd, voorshands het navolgende vast

a. Naar aanleiding van een advertentie welke op 14 januari 1984 in een
aantal bladen was geplaatst is eiseres betrokken geweest bij een
sollicitatieprocedure voor een sociaal kultureel werk(st)er bij het
Wijkcentrum De Pomhorst te Wageningen, waarvan het personeel in dienst is bij
gedaagde

b. Bij brief d.d. 27 januari 1984 werd eiseres door de
sollicitatiecommissie uitgenodigd voor een gesprek op 2 februari. In die
brief, gesteld op postpapier van gedaagde, werd uiteengezet dat het om een
tijdelijk dienstverband tot 1 januari 1985 ging, omdat de subsidierende
overheid slechts vervulling van vacatures in tijdelijk verband toestaat en
omdat de vacature onstaan was doordat een medewerker van het centrum in een
WAO-situatie verkeerde. Omtrent de sollicitatieprocedure bevatte de brief de
volgende mededelingen: de sollicitatiecommissie bestond uit 7 personen, te
weten 5 bestuursleden/vrijwilligers van het wijkcentrum en 2 medewerkers van
gedaagde; op de vacature hadden 24 personen gereageerd waarvan er 9 werden
uitgenodigd voor een eerste gesprek op 2 februari; het was de bedoeling om 3
personen voor een tweede gesprek uit te nodigen in de week van 6 februari,
“waarna zo spoedig mogelijk tot aanstelling wordt overgegaan”. Verder werd
medegedeeld dat het nog onduidelijk was of er een fulltimer dan wel twee
parttimers zouden worden aangesteld

c. Op 2 februari 1984 vond een eerste gesprek tussen eiseres en de
sollicitatiecommissie. Na dit gesprek is eiseres door de heer De Bruijn,
voorzitter van de sollicitatiecommissie, telefonisch benaderd, waarbij hij
liet blijken dat de commissie met haar was ingenomen en waarbij hij haar
uitnodigde voor een tweede gesprek op 6 februari 1984. In dit
telefoongesprek werd er niets gezegd over de sollicitatieprocedure en de rol
daarin van de commissie ten opzichte van het bestuur van gedaagde. Het bleek
dat er nog slechts twee gegadigden waren voor de inmiddels tot twee
parttime-plaatsen uitgekristalliseerde vacature. Beide gegadigden, eiseres en
een zekere Mevrouw Suttdorp, werden voor het tweede gesprek uitgenodigd. Dat
gesprek speelde zich af tijdens de maaltijd in een Joegoslavisch restaurant
te Wageningen, mede om beide dames in de gelegenheid te stellen met elkaar
kennis te maken

d. Bij het tweede gesprek op 6 februari 1984 was de voltallige
sollicitatiecommissie aanwezig. Er is toen gesproken over arbeidsvoorwaarden.
Met betrekking tot een datum van in diensttreding kwam 8 februari ter
sprake

e. In de loop van het gesprek deelde eiseres mee dat zij zwanger was en
dat zij in verband daarmee van 3 maart tot 4 juni 1984 afwezig zou zijn. In
verband daarmee kwam ter sprake dat het dienstverband eerst op 4 juni 1984
zou kunnen worden aangegaan. Mevrouw Suttdorp bood aan om in de
tussenliggende periode beide deeltaken te vervullen

f. Op 8 februari werd eiseres opgebeld door de heer De Bruijn. Hij
deelde haar mee dat de sollicitatieprocedure nog niet rond was zolang de
Wijkraad en het bestuur zich nog niet hadden uitgesproken

Op 10 februari 1984 werd aan eiseres door de voorzitter van de Wijkraad
telefonisch medegedeeld dat de Wijkraad zijn goedkeuring aan de aanstelling
had onthouden en dat zij derhalve “afgewezen” was

g. Inmiddels is door de sollicitatiecommissie een derde kandidaat – een
man – aan het bestuur ter benoeming voorgedragen

2.Eiseres stelt en vordert zoals weergegeven op de hiervoor opgenomen
fotocopie van de dagvaarding

Eiseres stelt onder meer dat aan haar nooit een voorbehoud kenbaar is
gemaakt dat de sollicitatiecommissie een voorstel aan het bestuur zou doen
een dat het bestuur zou moeten benoemen; er werd alleen een medisch
voorbehoud gemaakt. Tijdens het tweede gesprek zijn er volgens haar afspraken
gemaakt omtrent indeling in schaal 29 van de CAO, een werktijd van minimaal 18
en maximaal 20 uren per week en in dienstverband per 8 februari 1984, terwijl
er geen proeftijd werd bedongen. Nadat zij had medegedeeld wegens
zwangerschapsverlof drie maanden afwezig te zullen zijn werd volgens eiseres
door de sollicitatiecommissie voorgesteld om het dienstverband op te schorten
tot 4 juni 1984, aangezien dit voor gedaagde financieel gunstiger zou zijn.
Dit voorstel zou door alle aanwezigen zijn geaccepteerd

3. In verband met een en ander stelt eiseres zich op het standpunt, dat
een perfecte arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, dat de telefonische
mededeling van de voorzitter van de wijkraad op 10 februari niet anders kan
worden opgevat dan als een opzegging van een reeds bestaande dienstbetrekking
en dat die opzegging nietig is bij gebreke van vergunning an de directeur van
het Gewestelijk Arbeidsbureau. Subsidiair stelt eiseres dat, indien niet zou
kunnen worden aangenomen dat een perfecte arbeidsovereenkomst is gesloten,
gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, immers in strijd met
hetgeen is bepaald in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, door
eiseres niet in dienst te nemen in verband met haar zwangerschap

Gedaagde betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan. Aan
eiseres is tijdens de gesprekken kenbaar gemaakt dat de sollicitatiecommissie
slechts een voorstel aan het bestuur kon doen en dat de benoeming door het
bestuur van gedaagde zou geschieden. Indien aan eiseres medegedeeld is dat
de sollicitatiecommissie met haar was ingenomen kon dit slechts betrekking
hebben op de voordracht aan het bestuur. Eiseres moet geweten hebben dat in
diensttreding op korte termijn voor gedaagde essentieel was, gezien de tekst
van de advertentie en de omstandigheden waardoor de vacature was ontstaan, te
weten de arbeidsongeschiktheid van een medewerker. Daaruit volgt tevens dat
ononderbroken aanwezigheid gedurende de negen maanden van het dienstverband
voor gedaagde essentieel was. Het voorstel om het dienstverband tot 4 juni
1984 op te schorten is niet van gedaagde afkomstig maar werd door eiseres
gedaan. De sollicitatiecommissie heeft dit voorstel niet aanvaard, maar de
zaak zou aan het bestuur worden voorgelegd. Eiseres heeft gegevens verzwegen
waarvan zij had moeten begrijpen dat zij essentieel waren voor gedaagde. Een
dienstverband is niet tot stand gekomen. Het bestuur heeft besloten eisers
niet aan te nemen daar er aanzienlijke problemen zouden rijzen aangezien
eiseres niet in aanmerking zou kunnen komen voor een uitkering krachtens de
Ziektewet, omdat de zwangerschapssituatie reeds voor de aanstelling bestond.
Daardoor zouden de financiele middelen ontbreken om tijdens het
zwangerschapsverlof voor vervanging te zorgen. Tevens zou door het
zwangerschapsverlof en vanwege de vakanties in de onderhavige sector, mede
gezien de inwerkperiode, het effectieve dienstverband slechts vier maanden
bedragen. Het aanbod van Mevrouw Suttdorp leverde overigens problemen op
aangezien zij elders voorlopig nog een parttime betrekking heeft en niet op
tijd vrij was

4. Eiseres vordert primair afgifte van een schriftelijke
arbeidsovereenkomst. In de eerste plaats lijkt het onaannemelijk dat eiseres
een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de primaire vordering tot
afgifte van een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Eiseres kan immers de
volgens haar toepasselijke CAO zelf raadplegen en bovendien blijkt uit het
geheel van haar posita dat zij zich op het standpunt stelt dat de details van
haar beweerdelijke dienstbetrekking tijdens de bijeenkomst van 6 februari
zijn besproken. Kennelijk wil eiseres bereiken dat zij in bezit komt van een
bewijsstuk van de door haar beweerde dienstbetrekking, maar daartoe zal eerst
moeten vaststaan dat inderdaad een arbeidsovereenkomst is gesloten, wat door
gedaagde is betwist. Aan eiseres kan worden toegegeven dat de brief van 27
januari 1984 zich niet uitlaat omtrent het punt dat de sollicitatiecommissie
al dan niet bevoegd om eiseres aan te stellen, terwijl die brief nergens doet
blijken van de noodzaak tot goedkeuring van de aanstelling door het bestuur
van gedaagde. Er wordt slechts gesteld dat zo spoedig mogelijk na de tweede
gespreksronde tot aanstelling wordt overgegaan. Ter terechtzitting heeft
mevrouw B. Lautenbach, die na de eerste gespreksronde werd afgewezen bij
brief van 6 februari 1984, verklaard dat haar ten aanzien van de
sollicitatieprocedure verder niets verteld is over een voordracht door de
sollicitatiecommissie. De heer G. van Dijk, eveneens als informant gehoord,
kon zich niet precies herinneren of er bij een van beide gesprekken over een
voorbehoud gesproken is

De als informant gehoorde Heer J.W. de Bruijn, voorzitter van de
sollicitatiecommissie, verklaarde aan bijna alle sollicitanten en zeker aan
eiseres, gezegd te hebben dat het ging om een voordracht waarover een bestuur
moest beslissen

Gezien de uiteenlopende verklaringen van informanten kan er in dit kort
geding niet van uitgegaan worden dat aan eiseres is gezegd dat de
sollicitatiecommissie slechts een voorstel moest doen en dat het bestuur
daarover moest beslissen. Dit punt zal in een bodemprocedure nader aan de
orde moeten komen door horen hen onder ede van alle getuigen die bij het
gesprek aanwezig zijn geweest

Omtrent het verloop van het gesprek tijdens de tweede bijeenkomst heeft
de Heer De Bruijn als informant verklaard dat de mededeling van eiseres dat
zij zwanger was reeds vooraf kwam, waarna er gesproken werd over het in
dienst treden van eiseres per 4 juni 1984. Naar aanleiding van het aanbod
van Mevrouw Suttdorp kwam aan de orde dat er afgewacht moest worden of eiseres
wel ziekengeld zou ontvangen. Ten aanzien daarvan werd gezegd dat indien er
middelen waren Mevrouw Suttdorp volledig zou worden betaald, maar dat het
bestuur daarover zou moeten beslissen, aldus de heer De Bruijn. Op een vraag
van eiseresses raadsvrouw verklaarde de heer De Bruijn dat er over ziekengeld
niet is gesproken. Naar ons voorlopig oordeel is de precieze toedracht van
het tweede gesprek in dit kort geding niet duidelijk geworden, met name niet
met betrekking tot de vraag wie er voorstelde dat eiseres eerst per 4 juni
1984 in dienst zou treden en met betrekking tot een eventuele acceptatie van
dit voorstel. Ook hiervoor geldt dat voor het horen onder ede van alle
aanwezigen slechts duidelijkheid kan worden verkregen over de toedracht

5. De subsidiaire vordering tot voldoening van schadevergoeding moet een
gelijk lot delen. Zoals hierboven bleek, is het op dit ogenblik een open
vraag of er al dan niet sprake is van een perfecte arbeidsovereenkomst. Pas
als de gewone rechter oordeelt dat niet is bewezen dat een
arbeidsovereenkomst is gesloten zou eventueel kunnen worden geconcludeerd dat
gedaagde geweigerd heeft om met eiseres een arbeidsovereenkomst aan te gaan
en eerst dan wordt de vraag actueel of gedaagde in strijd heeft gehandeld met
de Wet gelijk behandeling van mannen en vrouwen en dus onrechtmatig jegens
eiseres heeft gehandeld. Bovendien valt op te merken dat de rechter niet
verplicht is om te veroordelen tot een eventuele schadevergoeding in iets
anders dan geld

6. In het licht van het hierboven onder no. 4 en 5 overwogen moet ook de
meer subsidiaire vordering worden afgewezen

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:

Weigeren de gevraagde voorzieningen en veroordelen eiseres in de
proceskosten voorzover aan zijde van gedaagde gevallen en tot op heden
begroot op ƒ 1.250,–

Rechters

Mr. E. Wijtema, vice-president