Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 13 september 2007

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting

Functie van NT2-docent aan vrouwen uit etnische minderheidsgroepen is niet geslachtsbepaald. Advertentietekst waarin wordt aangegeven dat de functie alleen voor vrouwen openstaat is in strijd met de wet.


Een man is als docent in dienst van een onderwijsorganisatie. Hij geeft onderwijs gericht op inburgering, onder andere NT2. Hij is boventallig verklaard en moet in dezelfde organisatie worden herplaatst. Hij zag een vacature voor NT2-docenten. In de advertentietekst is aan de functiebenaming ‘vr’ toegevoegd. Verzoeker heeft – vanwege de toevoeging ‘vr’ – niet gesolliciteerd, maar wel een mail gestuurd waarin hij bezwaar maakt tegen het feit dat de vacature kennelijk alleen voor vrouwen openstaat.

De onderwijsinstelling stelt dat het gaat om een geslachtsbepaalde functie. Het betreft onderwijs aan uitsluitend vrouwen uit etnische minderheidsgroepen. Tijdens het onderwijs komen veel specifieke vrouwenzaken aan de orde, waarover vrouwen minder gemakkelijk spreken als er een man voor de klas staat.

De Commissie oordeelt dat van een geslachtsbepaalde functie sprake is wanneer de betreffende activiteiten volgens objectieve maatstaven slechts door een man of een vrouw kunnen worden uitgeoefend. De Commissie is van oordeel de onderwijsorganisatie niet heeft onderbouwd dat ‘vrouwenzaken’ onderdeel uitmaken van de opleiding. Deze is namelijk gericht is op het beheersen van de Nederlandse taal en het verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. De onderwijsorganisatie heeft bovendien geen objectiveerbare gegevens ingebracht van de stelling dat een deel van de betreffende groep vrouwen afhaakt als er een man voor de klas staat. Van een geslachtsbepaalde functie is dan ook geen sprake.

Op grond van artikel 3 WGB dient uit de vacaturetekst te blijken dat de functie zowel openstaat voor mannen als vrouwen. In deze advertentietekst is dat niet het geval.

Strijd met de wet.

Volledige tekst

2 Feiten

2.1 Verzoeker is in dienst van verweerder waar hij de functie docent bekleedt. In deze functie geeft verzoeker onderwijs gericht op inburgering. Het onderwijs ‘Nederlands als tweede taal’ (hierna: NT2-onderwijs) maakt gemiddeld 80% van verzoekers werkzaamheden uit. Verzoeker heeft een brief ontvangen van verweerder, gedateerd 4 juli 2006, waarin staat dat hij met ingang van 5 juli 2006 boventallig is verklaard. In deze boventalligverklaring staat onder andere: "(…) U bent verplicht om uw medewerking te verlenen aan de bemiddelingsactiviteiten van het Mobiliteitsbureau hetgeen zou kunnen resulteren in een gedwongen herplaatsing binnen [verweerder]. (…) Gelet op de afspraken die in het bovengenoemde Sociaal Plan gemaakt zijn betekent deze boventalligverklaring voor u niet dat er nu ook reorganisatieontslag aangezegd gaat worden. (…) Ik vertrouw erop dat u spoedig herplaatst zult worden naar een andere werkplek van [ verweerder]."

2.2 Verweerder is een opleidingencentrum waar ruim 3.200 personeelsleden werkzaam zijn. Verweerder verzorgt verschillende (beroeps)opleidingen, waaronder inburgeringsonderwijs. Verweerder heeft met de gemeente Amsterdam een overeenkomst gesloten voor het verzorgen van PaVEM-onderwijs, waarbij PaVEM staat voor: participatie van vrouwen uit etnische minderheidsgroepen. Verweerder verzorgt dit onderwijs thans voor vijf groepen met ieder 15 PaVEM-deelneemsters, welk onderwijs wordt gegeven door vrouwelijke docenten.

2.3 Verweerder heeft in februari 2007 een vacature geplaatst op een openbare website. Hierin stond onder meer het volgende: "Voor een spannend project in Amsterdam zoeken wij zelfstandig gevestigde NT2 docenten (vr). Het project: een pilot cursus inburgeringsexamen aan gemotiveerde Amsterdamse vrouwen."

2.4 Verzoeker heeft naar aanleiding van deze vacature verweerder in de maand februari 2007 een reactie gezonden via de betreffende website. Hij heeft daarbij geschreven: "Een betere inburgering vindt volgens mij plaats zonder seksediscriminatie. Ik ben een man."

2.5 De betreffende projectleider ad interim (a.i.) van verweerder heeft verzoeker hierop per
e-mail het volgende geantwoord: "Het spijt mij als ik u heb gekwetst. Het PaVEM-traject is exclusief voor vrouwen en wordt in Amsterdam gebruikt voor vrouwen die weinig opleiding in eigen land hebben genoten. Hoewel het geen eis was hebben wij toch besloten eerst exclusief onder vrouwelijke NT2 docenten te werven. Immers de klassen bestaan volledig uit vrouwen, die onder andere ook over typisch vrouwelijke zaken van gedachten willen wisselen. Met een man voor de klas praat het gewoon minder makkelijk over je baarmoeder. Voor uw arbeidsmarktpositie maakt het niet zoveel uit, door deze actie ontstaan ook ‘mannengroepen’ en die hebben vaak liever een man als docent. (…)"

2.6 In artikel 2 van de – te sluiten – overeenkomst tussen een PaVEM-deelneemster en de gemeente Amsterdam, wordt het PaVEM-traject genoemd. Dit luidt, voor zover hier relevant, als volgt: "omvat een opleiding ter voorbereiding op het inburgeringexamen: (…) waarvan, naast de Nederlandse Taal, ook kennis van de Nederlandse samenleving op de onderdelen: Werk en Inkomen/Omgangsvormen, waarden en normen/Wonen/Gezondheid en gezondheidszorg/ Geschiedenis en Geografie/Instanties/Staatsinrichting en rechtsstaat/Onderwijs en Opvoeding (…)."


3 Beoordeling van het verzoek

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerder jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de aanbieding en/of bij de behandeling bij de vervulling van de betrekking van NT2 docent. Tevens ligt ambtshalve de vraag voor of verweerder in strijd heeft gehandeld met de gelijkebehandelingswetgeving bij de openlijke aanbieding van de onderhavige betrekking.

Belang verzoeker

3.2 Allereerst is de vraag aan de orde of verzoeker belang heeft bij een oordeel van de Commissie. Verzoeker heeft niet gesolliciteerd naar de onderhavige functie. Verzoeker heeft verklaard dat hij geen sollicitatiepoging heeft ondernomen omdat hij dat, vanwege de toevoeging ‘(vr)’ aan de functienaam, kansloos achtte. Dat dit het geval was zag verzoeker bevestigd in het antwoord van de projectleider a.i. op zijn e-mail, waarin stond dat eerst exclusief onder vrouwen zou worden geworven. 3.3 Onbetwist is dat verzoeker in beginsel geschikt is voor de onderhavige functie. Hij geeft immers vanuit zijn huidige functie bij verweerder reeds NT2 onderwijs. Gelet op de advertentietekst en hetgeen verweerder als reactie heeft gegeven op verzoekers e-mail kon van verzoeker redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij daadwerkelijk zou solliciteren op deze functie (zie ook: CGB 14 juni 2007, oordeel 2007-96). Omdat verzoeker gelet op de onder 2.1 genoemde boventalligverklaring op zoek is naar werk binnen verweerder en hij gelet op zijn ervaring in beginsel geschikt is voor de functie heeft hij belang bij een oordeel. De Commissie stelt dan ook vast dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek.

Aanbieding betrekking en/of behandeling bij de vervulling van de betrekking

Onderscheid?

3.4 Voor de beoordeling van de vraag of verweerder jegens verzoeker verboden onderscheid heeft gemaakt bij de aanbieding en/of bij de behandeling bij de vervulling van de betrekking NT-2 docent is artikel 1 van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB) in samenhang met artikel 3, eerste lid, WGB van belang. Op grond hiervan is het niet toegestaan onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij de aanbieding van een betrekking en evenmin bij de behandeling bij de vervulling van een betrekking.

3.5 Verweerder heeft in de vacature achter de functienaam ‘(vr)’ gezet en heeft verzoeker per
e-mail bericht dat eerst exclusief onder vrouwelijke sollicitanten zou worden geworven. Hiermee heeft verweerder zowel bij de aanbieding van de betrekking als bij de behandeling bij de vervulling van de betrekking jegens verzoeker direct onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Direct onderscheid tussen mannen en vrouwen is niet toegestaan tenzij er een wettelijke uitzondering van toepassing is.

Geslachtsbepaalde functie?

3.6 Een voor de onderhavige zaak relevante wettelijke uitzondering is wanneer sprake is van een geslachtsbepaalde functie zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, WGB. Hierin is bepaald dat van artikel 3 WGB mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid is gebaseerd op een kenmerk dat verband houdt met het geslacht en indien dat kenmerk wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste is, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig aan dat doel is. Dit is nader uitgewerkt in het ‘Besluit Beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn’, hierna: het Besluit.

3.7 In artikel 1, aanhef, in samenhang met onderdeel f, van het Besluit is het volgende geregeld: "Als beroepsactiviteiten waarvoor in voorkomend geval vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan zijn, worden slechts beschouwd de beroepsactiviteiten die inhouden de behandeling of bejegening van personen, indien wegens ernstige schaamtegevoelens bij deze personen de goede uitoefening van de aangeboden betrekking binnen het geheel van de arbeidsorganisatie ertoe noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon van een bepaald geslacht."

3.8 In de Nota van Toelichting op het Besluit is aangegeven dat deze categorie van beroepsactiviteiten wordt beperkt door de objectiveerbare eis dat de goede uitoefening van de bewuste beroepsactiviteiten uitsluitend kan geschieden door personen van een bepaald geslacht, terwijl dit gegeven in het geheel van de arbeidsorganisatie ook een zodanige betekenis moet hebben, dat daaruit consequenties moeten worden getrokken door het aanbieden van de betrekking aan een persoon van een bepaald geslacht (Kamerstukken II 1986/87, 19 908, nr. 3, p. 47). In deze afweging (…) moet derhalve tevens worden betrokken de mogelijkheid om de werkzaamheden in de betreffende arbeidsorganisatie zodanig in te richten, dat aan de voorwaarden voor een goede uitoefening van de aangeboden betrekking wordt voldaan zonder dat dit tot gevolg heeft (…) dat een betrekking slechts aan een persoon van een bepaald geslacht moet worden aangeboden (Kamerstukken II 1986/87, 19 908, nr. 3, p. 48).

3.9 De Commissie heeft concrete criteria opgesteld om te toetsen of aan alle hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan (zie onder meer: CGB 26 januari 2005, oordeel 2005-8, CGB 28 februari 2001, oordeel 2001-19 en CGB 24 maart 1997, oordeel 1997-53). In de eerste plaats moet op basis van objectieve gegevens kunnen worden vastgesteld dat de betreffende activiteiten slechts door een man of een vrouw kunnen worden uitgevoerd. In de tweede plaats moeten deze gegevens actueel zijn. In de derde plaats moet, wanneer inderdaad sprake is van in beginsel geslachtsbepaalde activiteiten, worden nagegaan of de werkzaamheden zodanig kunnen worden ingericht dat het voor een goede uitoefening van de functie niet noodzakelijk is dat deze wordt vervuld door een vrouw. Bij deze beoordeling dient in aanmerking te worden genomen dat uitzonderingen op het gebod van gelijke behandeling restrictief moeten worden uitgelegd, teneinde te voorkomen dat dit gebod al te zeer wordt uitgehold (Kamerstukken II 1986/87, 19 908, nr. 3, p. 47. Zie ook
CGB 26 januari 2005, oordeel 2005- 8 en CGB 28 februari 2001, oordeel 2001-19).

3.10 Verweerder stelt dat sprake is van geslachtsbepaalde beroepsactiviteiten in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel f, van het Besluit. Verweerder heeft ter onderbouwing hiervan verklaard dat het noodzakelijk is dat het onderwijs plaatsvindt in uitsluitend vrouwengroepen zodat iedere belemmering voor de PaVEM-vrouwen om aan het onderwijs deel te nemen, zoals een man voor de klas, wordt weggenomen. Tijdens het onderwijs komen bovendien typisch vrouwelijke zaken aan de orde, waarover moeilijk gesproken kan worden indien een man voor de klas staat. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat de gemeente heeft aangegeven het wenselijk te vinden dat het onderwijs wordt gegeven door een vrouwelijke docent. Hoewel de gemeente dit niet als strikte eis heeft gesteld is wel duidelijk gemaakt dat anders slechts een kleinere groep wordt bereikt. Verweerder heeft in het verleden onderwijs gegeven aan gelijksoortige vrouwengroepen en weet uit deze praktijkervaring dat een deel van deze vrouwen niet aan het onderwijs deelneemt als een man voor de klas staat. De PaVEM-groep is bovendien de moeilijkste groep vrouwen om te bereiken. Bovendien heeft dit zogenoemde ‘oudkomerstraject’ geen verplicht karakter, op grond waarvan het te meer van belang is om ieder mogelijk obstakel weg te halen om deze vrouwen over de drempel te krijgen. De typisch vrouwelijke zaken die aan de orde komen zijn bijvoorbeeld ‘de baarmoeder’. Verweerder heeft niet de mogelijkheid onderzocht om voor het gedeelte van het onderwijs over ‘vrouwenzaken’ een vrouwelijke docent in te zetten en voor het verdere onderwijs desgewenst een man.

3.11 De Commissie overweegt als volgt. Wat betreft het door verweerder aangedragen aspect dat ‘vrouwenzaken’ onderdeel uitmaken van het onderwijs en dat daarom sprake kan zijn van ‘ernstige schaamtegevoelens’, overweegt de Commissie dat verweerder dit niet heeft onderbouwd en dat dit niet volgt uit het PaVEM-traject. In 2.6 is omschreven dat het PaVEM-onderwijs is gericht op het beheersen van de Nederlandse taal en het vergaren van kennis over de Nederlandse samenleving. Bovendien heeft verweerder geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de PaVEM-vrouwen niet aan het onderwijs deelnemen dan wel afhaken indien een mannelijke docent voor de klas staat. Verweerder heeft weliswaar aangevoerd dat hem een en ander uit zijn praktijkervaring is gebleken, maar hij heeft daartoe geen objectiveerbare gegevens ingebracht. Verweerder heeft verwezen naar een ‘zuster’-instituut dat in de moskee taalles geeft aan vrouwengroepen en gelijkluidende ervaringen zou hebben als hijzelf. Verweerder heeft hierover evenwel geen nadere informatie overgelegd. Bovendien heeft verweerder verklaard dat hij in overleg met de gemeente mogelijk alsnog mannelijke docenten zou werven, indien hij er niet in zou slagen om voldoende vrouwelijke docenten te selecteren.

Dit wordt bevestigd door de onder 2.5 geciteerde e-mail van de projectleider a.i van verweerder aan verzoeker, waarin staat "dat eerst uitsluitend onder vrouwen zou worden geworven". Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet voldaan aan het vereiste dat op basis van objectieve gegevens moet kunnen worden vastgesteld dat de functie slechts door een vrouw kan worden uitgeoefend. Nu geen sprake is van een in beginsel geslachtsbepaalde functie, komt de Commissie niet toe aan de beoordeling of verweerder is nagegaan of de werkzaamheden zodanig kunnen worden ingericht dat het voor een goede uitoefening van de functie niet noodzakelijk is dat deze wordt vervuld door een vrouw.

3.12 Op grond van bovenstaande oordeelt de Commissie dat verweerder geen beroep kan doen op de wettelijke uitzondering van geslachtsbepaaldheid van de functie zoals is bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, WGB, in samenhang met artikel 1, aanhef, en onderdeel f, van het Besluit. Verweerder heeft daarom jegens verzoeker verboden onderscheid gemaakt op grond van geslacht bij de aanbieding en bij de behandeling bij de vervulling van de functie NT2-docent.

Vermelding grond voor het onderscheid in de vacature?

3.13 In artikel 3, derde lid, WGB is bepaald dat uit de tekst en vormgeving van een aangeboden betrekking duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen hiervoor in aanmerking komen. Dit is ingevolge artikel 3, tweede lid, WGB enkel anders indien het een openlijke aanbieding van een betrekking betreft waarbij het onderscheid toelaatbaar moet worden geacht en de grond voor het onderscheid uitdrukkelijk is vermeld.

3.14 Verweerder heeft bij de aanbieding van de betrekking op een openbare website achter de functienaam ‘(vr)’ gezet. Zodoende wordt uit de tekst van deze openlijke aanbieding niet duidelijk dat zowel mannen als vrouwen daarvoor in aanmerking komen. Verweerder heeft de reden voor het onderscheid niet in de vacature vermeld wat niet strookt met het hierboven genoemde wettelijk vereiste is. Zelfs als de reden wel was vermeld had dit verweerder niet kunnen baten omdat sprake is van ontoelaatbaar onderscheid zoals hiervoor overwogen. Verweerder heeft door vermelding van ‘(vr)’achter de functienaam bij de openlijke aanbieding van de functie in strijd gehandeld met de WGB.

4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de school verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht jegens A bij de aanbieding en bij de behandeling bij de vervulling van de betrekking docent NT2.

De school heeft voorts in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling door in een openlijke aanbieding achter de functienaam ‘(vr)’ te hebben gezet.

Aldus gegeven te Utrecht op 13 september 2007 door mr. A.G. Castermans, voorzitter,

mr. Ch.M. van der Bas en mr. dr. H.K. Fernandes Mendes, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Hester, secretaris.

Rechters

mr. A.G. Castermans, voorzitter,
mr. Ch.M. van der Bas en mr. dr. H.K. Fernandes Mendes, leden