Instantie: Hof van Justitie EG, 10 februari 2000

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Deeltijdwerkers met een dienstverband van minder dan 18 uur per week worden
uitgesloten van deelname aan een aanvullend (bedrijfs)pensioen. Dit levert
verboden discriminatie op wanneer een aanzienlijk groter percentage vrouwen
dan mannen hierdoor wordt getroffen en er geen objectieve rechtvaardiging
is voor dit onderscheid. Aangezien het heir gaat om het recht op aansluiting
bij een (bedrijfs)pensioenregeling, volgt de enige beperking in de tijd
uit het arrest Defrenne II, wat betekent dat een beroep op art. 119 (thans
141) EG-Verdrag kan worden gedaan m.b.t. tijdvakken van arbeid gelegen
na 8 april 1976. Deze beperking in de tijd staat niet in de weg aan toepassing
van nationale (in casu Duitse) bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten
op grond waarvan deeltijdwerkers met een verder terugwerkende kracht aanspraak
kunnen maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling.

Volledige tekst

59. Derhalve moet op het eerste deel van de zesde vraag worden geantwoord,
dat het gemeenschapsrecht, met name het verbod van discriminatie op grond
van nationaliteit en artikel 119 van het Verdrag, niet in de weg staat
aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op
grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding
recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling
en op uitkeringen krachtens die regeling, niettegenstaande het risico van
verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende
lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat.

60. Gezien dit antwoord behoeft het tweede deel van deze vraag geen beantwoording.

KOSTEN

61. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie
wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding
is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de
nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door Landesarbeitsgericht Hamburg bij beschikking
van 25 oktober 1995 gestelde vragen,
verklaart voor recht:

1) De uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling
als in het hoofdgeding aan de orde is, is een bij artikel 119 van het Verdrag
(de artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen
136 EG tot en met 143 EG) verboden discriminatie, wanneer een aanzienlijk
groter percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers door deze maatregel
wordt geraakt en deze niet wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren
die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

2) In een geval waarin de uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling
een bij artikel 119 van het Verdrag verboden indirecte discriminatie is,
is de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119
van het Verdrag te beroepen in zoverre in de tijd beperkt, dat de tijdvakken
van arbeid van die werknemers slechts vanaf 8 april 1976, de datum van
uitspraak van het arrest Defrenne II (43/75), in aanmerking kunnen worden
genomen voor hun aansluiting met terugwerkende kracht bij een dergelijke
regeling en voor de berekening van de uitkeringen waarop zij recht hebben,
behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór
die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een daarmee gelijk te
stellen vordering hebben ingediend.

3) De uit het arrest Defrenne II volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid
om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te
beroepen, staat niet in de weg aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel
omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die
van het hoofdgeding recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht
bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.

4) Het gemeenschapsrecht, met name het verbod van discriminatie op grond
van nationaliteit en artikel 119 van het Verdrag, staat niet in de weg
aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op
grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding
recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling
en op uitkeringen krachtens die regeling, niettegenstaande het risico van
verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende
lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat.

Rechters

mrs. Schintgen, Hirsch en Ragnemalm