Instantie: Rechtbank Den Haag zp Amsterdam, 19 mei 1999

Instantie

Rechtbank Den Haag zp Amsterdam

Samenvatting


Eiser, van Algerijnse nationaliteit, verblijft sinds 1991 in Nederland. Hij
is in 1993 gehuwd en in 1995 gescheiden . Zij ex-echtgenote bezit de
Nederlandse nationaliteit. Met betrekking tot het uit de relatie geboren kind
wordt in 1995 een omgangsregeling vastgesteld van twee uur per 14 dagen en ƒ
150 alimentatie per maand. De omgangsregeling wordt – tot hernieuwde
vaststelling door de rechter in 1997 – niet nagekomen. Sinds 1997 is er eens
per 14 dagen contact tussen vader en kind gedurende één dag van 11.00 tot
18.00 uur. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van family
life in de zin van art. 8 EVRM. Inmenging hierop is niet
gerechtvaardigd omdat het contact tussen vader en kind (mede gelet op de
leeftijd van het kind) voldoende intensief is en de vader bijdraagt in de
kosten van verzorging en opvoeding. Het beleid van de IND dat er sprake dient
te zijn van een omgangsregeling van minimaal 8 uur per week of een weekend
per 14 dagen, is geen ‘harde’ regel.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op 29 mei 1967, bezit de Algerijnse nationaliteit. Hij
verblijft sedert 23 september 1991 als vreemdeling in de zin van de
Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 22 juni 1995 heeft eiser bij de
korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om
een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 10 januari 1996 heeft verweerder
op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit op 6
februari 1996 bezwaar gemaakt. Op 7 oktober 1997 is eiser gehoord door een
ambtelijke commissie (AC). Van dit gehoor is een verslag opgemaakt. Bij
brieven van 17 november 1997, 17 december 1997, 28 januari 1998, 30 januari
1998 en 8 maart 1998 is het bezwaar nader aangevuld. Het bezwaar is bij
besluit van 25 maart 1998 ongegrond verklaard. Het besluit is diezelfde dag
aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2. Bij beroepschrift van 20 april 1998 heeft eiser tegen dit afwijzende
besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De nadere gronden van het beroep
dateren van 27 mei 1998. In beroep heeft eiser verzocht het bestreden besluit
te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen dan wel
te bepalen dat eiser in het bezit wordt gesteld van een vergunning tot
verblijf. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te
zullen behandelen. Op 26 oktober 1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende
stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 29
maart 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het
beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 16
april 1999.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 1999. Eiser is
aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.L.M. Lichteveld, advocaat
te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.C.C.
van Oss, advocaat te ‘s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten. Eiser is Nederland ingereisd op 23 september 1991. Op 10 augustus
1993 is hij te Amsterdam gehuwd met E., geboren op 1 oktober 1967 en in het
bezit van de Nederlandse nationaliteit. Eiser staat sedert 19 augustus 1993
ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam. Op 24
september 1993 heeft hij verzocht om een vergunning tot verblijf voor
verblijf bij Nederlandse echtgenote E. Op 31 maart 1994 is hij in het bezit
gesteld van de gevraagde vergunning tot verblijf. Deze vergunning is
laatstelijk verlengd tot 17 juni 1995. Uit het genoemde huwelijk is op 24
juni 1994 te Amsterdam een dochter geboren, genaamd F. F. bezit de
Nederlandse nationaliteit. Sedert 12 april 1995 staan eiser en E. niet meer
ingeschreven op hetzelfde adres in het bevolkingsregister. Bij beschikking
van 22 november 1995 is de echtscheiding tussen eiser en E. uitgesproken.
Tevens is in deze beschikking bepaald dat E. wordt belast met de uitoefening
van het gezag over F.en dat eiser F. in het kader van een omgangsregeling
eenmaal per veertien dagen op zondag om 12.00 uur tot 14.00 uur in de woning
van de broer van E. zal bezoeken. Voorts is bepaald dat eiser ƒ 150 per maand
zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van F. Deze
omgangsregeling is nooit daadwerkelijk nageleefd. Om die reden heeft eiser op
2 juli 1997 een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling ingediend bij de
rechtbank te Amsterdam. Op 13 augustus 1997 heeft een mondelinge behandeling
ter zitting plaatsgevonden. De behandeling is ter zitting aangehouden om
partijen in de gelegenheid te stellen zelf een omgangsregeling op te bouwen.
Afgesproken is dat eiser F., voor een periode van vier maanden, éénmaal per
veertien dagen zal bezoeken van 11.00 uur tot 12.00 uur in de woning van de
kennis. In overleg is deze regeling uitgebreid tot éénmaal per veertien dagen
op zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur. Bij beschikking van 10 februari 1998
heeft de rechtbank
de op 22 november 1995 vastgestelde omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat
eiser één keer per 14 dagen op zaterdag contact heeft met F. Eiser haalt haar
dan op bij haar moeder om 11.00 uur en brengt haar om 18.00 uur terug.

In de periode van 19 augustus 1994 tot 22 december 1994 is eiser werkzaam
geweest voor BBB Uitzendorganisatie BV. Op 30 januari 1995 is eiser, voor de
duur van vijf maanden in dienst getreden van Ancora Multidiensten BV te
Amsterdam. Op 28 juni 1995 heeft eiser een detacheringsovereenkomst
afgesloten met Uitzendbureau All Round BV i.o. Hieruit blijkt dat hij met
ingang van 3 juli 1995, tot 31 december 1995, werkzaam is voor genoemde
werkgever. Per 6 november 1995 is eiser, op basis van een jaarcontract, in
dienst getreden van de vennootschap onder firma X. gevestigd te Aalsmeer. Dit
contract is stilzwijgend verlengd. Het salaris bedraagt ƒ 3.122,58 bruto per
maand. Op 22 juni 1995 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend om een
vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst na
verbreking huwelijk. Sedert 11 december 1997 is eiser huurder van de woning
gelegen aan de (…) te Amsterdam.

3. Eiser meent dat met zijn aanwezigheid hier te lande een wezenlijk
Nederlands belang is gediend, dat klemmende redenen van humanitaire aard en
internationale verplichtingen tot toelating nopen. Daartoe voert hij aan dat
hij beschikt over een jaarcontract. Ten onrechte stelt verweerder dat het
family-life tussen eiser en zijn dochter zeer beperkt is. F. is nog erg jong.
Het bezoek aan zijn ex-zwager moet worden afgesproken en mag niet een te
grote belasting voor laatstgenoemde zijn. In de nabije toekomst zal de omgang
steeds worden uitgebreid. Hierbij wordt gedacht aan eenmaal per veertien
dagen een dag gedurende het weekend. Voor F. is het contact met eiser van
wezenlijk belang. De ex-echtgenote stemt hiermee in.

Ten overstaan van de AC is namens eiser het volgende naar voren gebracht.
Eiser beschikt wel degelijk over voldoende middelen van bestaan. Hij is tot
op heden werkzaam bij v.o.f. X. De op 22 november 1995 vastgestelde
omgangsregeling is niet nageleefd, aangezien er bij de echtscheiding veel
onverwerkte emoties waren bij E. Zij was ook bang dat eiser het kind zou
ontvoeren. Eiser heeft op 2 juli 1997 verzocht om een nieuwe omgangsregeling.
Op 13 augustus 1997 heeft de mondelinge behandeling plaats gevonden. Partijen
hebben toen een.proefomgangsregeling voor de duur van vier maanden
vastgesteld. De rechter zal vervolgens een definitieve omgangsregeling
vaststellen. Van de kinderrechter hebben partijen de opdracht gekregen de
omgangsregeling voorzichtig en geleidelijk op te bouwen gezien het feit dat
er enige tijd geen of weinig contact is geweest tussen eiser en het kind. Het
is geen vast beleid dat er sprake moet zijn van een omgang gedurende acht
uren per week. Dit is nergens gepubliceerd en bovendien afhankelijk van de
individuele omstandigheden. Uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de
rechten van de mens kan worden geconcludeerd dat het niet zozeer gaat om de
frequentie of intensiteit van de omgang, als wel om de waarde die de vader
hecht aan het contact met het kind en het belang van het kind bij dit
contact. De zeer jonge leeftijd van F. brengt met zich dat haar belang bij
een goed contact met haar vader extra zwaar in haar voordeel moet worden
meegewogen. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van deze
rechtbank, zittinghoudende te Zwolle, van 28 januari 1997 (MR 1997, 82). Van
belang is voorts dat
eiser – nog afgezien van de kleren en het speelgoed dat hij koopt voor F.
elke maand ƒ 150 bijdraagt in de kosten van levensonderhoud. Hij verblijft
bovendien al langer dan zes jaar in Nederland, hij heeft hier te lande een
relatie met een Nederlandse vrouw en komt niet ten laste van de openbare kas.
Terugzending naar Algerije zal betekenen dat het contact met zijn dochter
verbroken wordt, dat hij
geen financiële bijdrage kan leveren in het levensonderhoud van het kind en
dat hij moet leven in een land waar iedereen bang is het slachtoffer te
worden van bloedige aanslagen door de fundamentalisten. Voorts is aangevoerd
dat de bijdrage aan het levensonderhoud zal worden verhoogd tot ƒ 200 per
maand. Eiser zelf heeft bij de AC desgevraagd verklaard dat hij in 1994 terug
is geweest naar Algerije. Hij heeft tevens verklaard dat hij een half jaar
met zijn dochter heeft samengewoond en dat hij haar daarna een jaar niet
heeft gezien. In augustus 1997 heeft hij zijn dochter voor het eerst weer
gezien. Het contact met zijn ex-echtgenote verloopt goed. Hij ziet zijn
dochter twee uur per veertien dagen bij een kennis. De broer en de moeder van
eiser wonen in Algerije. Eiser onderhoudt telefonisch contact met hen. Bij
v.o.f. X. is eiser werkzaam als boxmedewerker. Eiser woont niet samen met
zijn Nederlandse partner.

In beroep heeft eiser gesteld dat de bestreden beschikking een deugdelijke
motivering ontbeert. Ten onrechte wordt daarin gesteld dat de weigering eiser
voortgezet verblijf toe te staan geen schending van artikel 8 EVRM zou
betekenen. De inmenging zou gerechtvaardigd zijn in het belang van het
economisch welzijn van Nederland. Niet kan worden ingezien in welk opzicht
het welzijn van Nederland geschaad wordt door het voortgezet verblijf van
eiser. Eiser heeft namelijk in elk geval sinds augustus 1994 in zijn eigen
levensonderhoud voorzien. Vanaf 6 november 1995 tot heden is hij werkzaam bij
X. Zijn salaris bedraagt ƒ 2.528 netto per maand. Daarenboven draagt hij ook
bij in het levensonderhoud van zijn dochtertje. Naast de alimentatie betaalt
hij ƒ 80 per maand aan de kosten voor de crèche van zijn dochtertje. Hierbij
wordt nog gewezen op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad
van State van 20 augustus 1994 (R02.92.2556). Voorts heeft verweerder
onvoldoende belang toegekend aan de omgang die eiser heeft met F. In de
beschikking van 10 februari 1998 is uitdrukkelijk overwogen dat het in het
belang van F. is dat zij geregeld contact heeft met haar vader en dat de
omgang in de toekomst kan worden uitgebreid. De ex-echtgenote van eiser is
ook deze mening toegedaan. Ten tijde van de bestreden beschikking was er
gedurende
éénmaal per veertien dagen gedurende een hele dag persoonlijk contact tussen
eiser en F. Daarnaast hebben zij meermalen per week telefonisch contact.
Gewezen wordt nog op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats
‘s-Gravenhage, van 23 september 1997 (AWB 9716687). Verder wordt nog
opgemerkt dat verweerder door eiser in het bezit te stellen van een
vergunning tot verblijf op grond van zijn huwelijk de mogelijkheid tot
gezinsvorming welbewust heeft aanvaard.

Bij schrijven van 16 april 1999 heeft eiser nog een aantal uitspraken
overgelegd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen aanspraak op
voortgezet verblijf kan ontlenen, nu zijn huwelijk met E. geen drie jaar
heeft geduurd. Met de door eiser sedert 6 november 1995 verrichte arbeid bij
X. is geen wezenlijk Nederlands belang gediend. Hiertoe wordt verwezen naar
het advies van het Landelijk Bureau voor de Arbeidsvoorziening van 17
september 1997. Eiser heeft nauwere banden met Algerije dan met Nederland.
Hij is in Algerije geboren en opgegroeid, heeft daar 24 jaar gewoond en zijn
familieleden wonen daar. Eiser moet in staat worden geacht zich in Algerije
zelfstandig te kunnen handhaven. Niet valt in te zien waarom hij in Algerije
niet in staat zal zijn om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Eiser
heeft ook in Nederland zelfstandig gewerkt. Voorts kan eiser
zich – indien nodig – voor steun wenden tot de in Algerije aanwezige
familieleden, vrienden of kennissen. Vast staat dat er tussen eiser en zijn
Nederlandse dochter gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 EVRM en dat
het niet langer toestaan van verblijf aan eiser een inmenging betekent in het
gezinsleven van eiser en zijn dochter. In aanmerking nemende de feiten en
omstandigheden die voorlagen ten tijde van de bestreden beschikking meent
verweerder dat bij een afweging van alle betrokken belangen genoemd recht van
de dochter en de daarmee verband houdende belangen van eiser niet opwegen
tegen het door verweerder te behartigen algemeen belang van de bescherming
van het economisch welzijn. Hiertoe kent verweerder allereerst betekenis toe
aan de omstandigheid dat eiser en zijn dochter slechts gedurende zeer korte
tijd met elkaar in gezinsverband hebben samengeleefd, namelijk in de periode
van 24 juni 1994, tot, aldus de ex-echtgenote van eiser, februari 1995. Van
belang is voorts dat verweerder als uitgangspunt hanteert dat indien er
sprake is van een feitelijk nageleefde omgangsregeling van minimaal een
volledige dag (8 uur) per week of een weekeinde elke veertien dagen dan wel
een daarmee gelijk te stellen
omgangsregeling een inbreuk op het gezinsleven niet gerechtvaardigd is te achten als de
niet verzorgende ouder aantoonbaar bijdraagt in de kosten van verzorging en
opvoeding van het kind. Dit uitgangspunt is niet onredelijk. Gebleken is dat
de moeder van F. na de echtscheiding is belast met het ouderlijk gezag. Voor
de omgang tussen eiser en zijn dochter was een omgangsregeling vastgesteld,
welke inhield dat eiser zijn dochter éénmaal per veertien dagen mocht
bezoeken op zondag van 12.00 uur tot 14.00 uur. Gebleken is dat aan deze
omgangsregeling nooit uitvoering is gegeven. Eerst op 2 juli 1997 heeft eiser
bij de kinderrechter van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam verzocht de
eerdergenoemde omgangsregeling te wijzigen. Na bemiddeling van de
kinderrechter op 13 augustus 1997 heeft eiser zijn dochter daadwerkelijk
kunnen bezoeken. Uit de eerst kort voor de bestreden beschikking, op 10
februari 1998, opgemaakte nieuwe omgangsregeling, inhoudende dat eiser
eenmaal per 14 dagen op zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur omgang met zijn
dochter F. kan hebben, kan niet worden afgeleid dat er ten tijde van het
bestreden besluit sprake was van een omgangsregeling met een omvang als
hierboven genoemd. De waarde die de vader zou hechten aan het contact met het
kind en het belang van het kind bij contact met de vader zijn hierbij
meegewogen. Overigens dient niet uit het oog te worden verloren dat het in
het Berrehab-arrest ging om een intensieve omgang gedurende enkele dagen per
week. Gelet op het vorenstaande is
er – hoewel eiser vanaf april 1997 heeft aangetoond mede te voorzien in de
kosten van levensonderhoud van zijn dochter en heeft gesteld telefonisch
contact met haar te hebben tussen de omgangsregelingen door – geen sprake van
een zodanige omgang tussen eiser en zijn dochter dat hierom aan het
persoonlijk belang van eiser een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan
aan het algemeen belang. De enkele stelling dat in de toekomst mogelijk een
uitbreiding van het aantal uren van de omgangsregeling plaats zal vinden,
doet hier n
iet aan af, nu dit een toekomstig onzekere gebeurtenis is. Het onthouden van
een verblijfsrecht aan eiser zal de omgang met zijn dochter weliswaar
bemoeilijken maar eiser moet in staat worden geacht ook vanuit Algerije
contact te onderhouden met zijn dochter in Nederland.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is
neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Met verweerder en op de door verweerder in rechtsoverweging 11.4
aangevoerde gronden is de rechtbank van oordeel dat met de aanwezigheid van
eiser hier te lande geen wezenlijk Nederlands belang is gediend.

8. Niet is in geschil dat eiser geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan
het door verweerder gevoerde beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking
huwelijk, zoals dit is neergelegd in hoofdstuk B 1/2.2 van de Vc 1994.

9. Evenmin is gebleken dat eiser aan enige andere door verweerder gehanteerde
beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

10. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van
zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat op grond daarvan aan
eiser verblijf hier te lande had moeten worden toegestaan. De rechtbank kan
zich geheel verenigen met de
overwegingen daaromtrent in het bestreden besluit en het verweerschrift die
verweerder tot dit oordeel hebben gebracht. Deze overwegingen zijn
weergegeven in rechtsoverweging 4.

11. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 EVRM wordt het volgende
overwogen.

In de onderhavige zaak staat vast dat tussen eiser en zijn Nederlandse
dochter familie- of gezinsleven bestaat in de zin van voornoemd artikel.

Het niet langer toestaan van verblijf aan eiser is een inmenging in het recht
op de uitoefening van het gezinsleven van eiser en zijn dochter. Om te
beoordelen of een dergelijke inmenging op grond van het tweede lid van
artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, dient verweerder een redelijke afweging te
maken tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn
geheel.

In het kader van deze belangenafweging heeft verweerder het algemeen belang
van de bescherming van het economisch welzijn zwaarder laten wegen dan het
individuele belang van eiser bij (voortzetting van) de uitoefening van het
familieleven met zijn dochter hier te lande. Naar het oordeel van de
rechtbank kon verweerder in casu aan dit belang evenwel geen doorslaggevende
betekenis toekennen. Daartoe is redengevend dat eiser al enkele jaren een
vast dienstverband heeft. Hij heeft bovendien een inkomen dat aanzienlijk
hoger is dan het minimumloon en is nooit ten laste gekomen van de openbare
kas. De stelling van verweerder ter zitting dat eiser in de toekomst mogelijk
zijn baan zal verliezen, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu dit een
toekomstig onzekere gebeurtenis is. Op dit punt berust het bestreden besluit
derhalve niet op een voldoende draagkrachtige motivering. Verweerder heeft
gesteld dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat een inbreuk op het
gezinsleven eerst dan niet gerechtvaardigd is te achten indien er sprake is
van een feitelijk nageleefde omgangsregeling van minimaal een volledige dag
(8 uur) per week of een weekeinde per veertien dagen of een daarmee gelijk te
stellen omgangsregeling, terwijl bovendien de niet-verzorgende ouder
aantoonbaar bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de
minderjarige. Aan dit uitgangspunt wordt door eiser, aldus verweerder, niet
voldaan. De rechtbank stelt vast dat het hier niet gaat om een in het
gepubliceerde beleid van verweerder neergelegde regel. Hoewel het
uitgangspunt van verweerder in beginsel niet als onredelijk kan worden
beschouwd, leent dit uitgangspunt zich niet voor rigide toepassing en zal
verweerder in ieder individueel geval de van belang zijnde feiten en
omstandigheden in ogenschouw dienen te nemen. In het onderhavige geval is de
rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien, mede in aanmerking genomen de
verwikkelingen die hebben plaatsgevonden tussen de ouders alsmede de leeftijd
van het minderjarige kind, dat een omgangsregeling
die, ten tijde van de bestreden beslissing, inhield dat eiser elke twee weken
zijn dochter gedurende zeven uur onder zijn hoede had, als een onvoldoende
intensief contact moet worden beschouwd. Van belang is verder dat eiser
aantoonbaar bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn
dochter. Daar komt verder nog bij dat uit de bestreden beslissing onvoldoende
blijkt in hoeverre de belangen van het minderjarige kind zijn meegewogen. Dit
klemt des te meer nu de kinderrechter in zijn beschikking van 10 februari
1998 uitdrukkelijk heeft overwogen dat het in het belang van F. is dat zij
geregeld contact heeft met haar vader en dat moeder daar ook achter staat.

Gezien het bovenstaande slaagt het beroep op artikel 8 EVRM.

12. Op grond hiervan dient het beroep gegrond te worden verklaard en het
bestreden besluit te worden vernietigd.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het
ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met
de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten
maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420 als kosten van verleende
rechtsbijstand.

14. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden
vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 210.

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420 (zegge
veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan
eiser.

Rechters

mr. Smit