Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 9 december 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Geschil tussen de executeur-testamentair (zoon van de erflater), die het
beheer voert over de nalatenschap, en de weduwe over haar aanspraken op de
nalatenschap. De weduwe en haar overleden echtgenoot waren buiten gemeenschap
van goederen getrouwd met een beding, houdende periodieke verrekening.
Tijdens huwelijk is niets verrekend. In 1990 heeft de man twee
pensioenverzekeringen afgekocht, waarin een bedrag voor de aanspraak van de
vrouw op een weduwenpensioen was inbegrepen. De vrouw is hiermee nooit
akkoord gegaan. Ten tijde van het overlijden van de man was een
echtscheidingsprocedure aanhanging en woonden de man en de vrouw al ruim een
half jaar niet meer samen. De vrouw vordert thans van de nalatenschap
betaling van een bedrag gelijk aan de waarde van het afgekochte
pensioen. De rechtbank wijst de vordering toe en stelt dat een
vergoedingsrecht van de vrouw jegens de erflater past in het stelsel van
vergoedingsrechten tussen echtgenoten die buiten
gemeenschap van goederen zijn gehuwd, zoals dat door de Hoge Raad is
geformuleerd (o.a. NJ 1988, 50; NJ 1996, 616).

Volledige tekst

De rechtbank constateert dat de executeur-testamentair zich niet
uitdrukkelijk beroept op het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen
vervalbeding. Voor zover de executeur-testamentair wil betogen dat in het
onderhavige geval een beroep op het vervalbeding redelijk zou zijn, wordt dat
betoog verworpen. De executeur-testamentair voert in dit kader slechts aan
dat Be. medio 1990 aanspraak op verrekening had moeten maken, ten tijde van
de emigratie van erflater en Be. naar Spanje. Hij wijst erop dat erflater
toen bepaalde financiële keuzes heeft gemaakt, zoals afkoop van het pensioen
– waarmee Be. uitdrukkelijk akkoord is gegaan – en aanschaf en verbetering
van een zeilschip voor circa ƒ 700.000 waarop achteraf een groot verlies
blijkt te zijn geleden. Hij voert aan dat het onder die omstandigheden niet
redelijk is dat Be. thans verrekening verlangt. De rechtbank meent dat de
gestelde omstandigheden in redelijkheid niet in de weg hoeven te staan aan
een verzoek tot verrekening thans. Dat verlies is geleden op gedane
investeringen wordt verdisconteerd in de berekening van het eindvermogen van
erflater, althans voor zover de investeringen zijn gedaan uit bespaarde
inkomsten. Indien de investeringen niet zijn gedaan uit bespaarde inkomsten,
is het geleden verlies niet van belang voor de verlangde verrekening. Ook het
feit dat Be. akkoord is gegaan met de afkoop van de pensioenrechten acht de
rechtbank in dit kader niet van belang. Be.’s vordering ter zake van de
afkoop van de pensioenrechten is immers niet gedaan in het kader van de
verrekening (van het door erflater opgebouwde ouderdomspensioen) doch ziet
enkel op een vergoeding voor de afkoop van het aan haar toekomende
weduwepensioen. Overigens zullen – indien Be. ter zake van de afkoop van het
pensioen een vordering op erflater heeft – haar vordering en erflaters schuld
in beginsel meetellen bij de bepaling van ieders eindvermogen.
Be. vordert de helft van de vermogensstijging gedurende het huwelijk, dus tot
aan de datum van overlijden van erflater. Op grond van de huwelijkse
voorwaarden heeft zij echter slechts recht op de helft van de
vermogensstijging gedurende de tijd dat de echtelijke samenwoning niet
verbroken is geweest, derhalve tot oktober 1991.
De waarde van het afgekochte weduwepensioen (v)

5.12. De executeur-testamentair beroept zich ter afwering van deze vordering
van Be. op het advies van mr. Van Oldenborgh. Diens advies is echter niet
zonder meer negatief voor Be.. Mr. Van Oldenborgh heeft een tweetal
conclusies getrokken:

a. dat de aanspraken van Be. op verrekening van het gehele door de man
opgebouwde pensioen waarschijnlijk op grond van het in de huwelijkse
voorwaarden opgenomen vervalbeding waren vervallen; dit oordeel is in een
tweetal opzichten door latere uitspraken van de Hoge Raad achterhaald;

b. dat het goed verdedigbaar is dat er een vergoedingsrecht van Be. jegens de
erfgenamen bestaat ter hoogte van de contante waarde van het weduwepensioen
ten tijde van de afkoop, nu door de betaling van de gehele afkoopsom aan de
man een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor een
rechtstitel aanwezig was.

5.13. op deze laatste conclusie baseert Be. haar vordering. De rechtbank is
het met mr. Van Oldenborgh eens dat in het onderhavige geval een
vergoedingsrecht van Be. jegens erflater past in het stelsel van
vergoedingsrechten tussen met uitsluiting van elke gemeenschap gehuwde
echtgenoten, zoals dat door de Hoge Raad in het arrest Kriek/Smit en latere
arresten is geformuleerd, ook al is, in dit geval – kennelijk – geen sprake
van aanschaf van een goed met de afkoopsom van Be.s’ weduwepensioen. De
executeur-testamentair heeft tegen de conclusie van de adviseur op dit punt
niets ingebracht behalve een verwijzing naar het achterhaald zijn van de
hiervoor onder a weergegeven conclusie. Hij heeft niet gesteld dat aan de
vermogensverschuiving tussen Be. en erflater een overeenkomst of een
natuurlijke verbintenis ten grondslag lag. Nu tenslotte de
huwelijksvoorwaarden van partijen niet anders bepalen – integendeel kan uit
artikel 9 van die voorwaarden eenzelfde conclusie worden getrokken – meent de
rechtbank dat Be. recht heeft op vergoeding van het nominaal bedrag van de
afkoopsom voor zover deze betrekking had op het weduwepensioen.

5.14. ƒ 82.574 ter zake van de aanschaf van een zeiljacht (vi)
De executeur-testamentair bestrijdt niet dat Be. in 1978 ƒ 80.000 aan
erflater ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van de aankoop van een
zeiljacht (de Dawn II) en dat zij in verband met een daartoe gesloten
hypothecaire lening kosten heeft moeten maken tot een bedrag van ƒ 2.574
welke kosten voor rekening van erflater zijn. Evenmin bestrijdt hij dat Be.
wegens de verstrekking van deze gelden jegens erflater een vergoedingsrecht
heeft verkregen. Hij meent echter dat bij de vaststelling van de hoogte
daarvan rekening moet worden gehouden met de waardedaling van het zeiljacht
en/of van een ander, in plaats van de Dawn II, gekocht jacht, de
ady Dawn. Laatstgenoemd jacht, waaraan erflater circa ƒ 760.000 had
uitgegeven, was bij zijn overlijden nog slechts circa ƒ 375.000 waard, zo
stelt hij. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Volgens de
heersende leer van de Hoge Raad krijgt de met uitsluiting van elke.
gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot die, zoals in dit geval Be. –
gedeeltelijk – de tegenprestatie voldoet voor een op naam van de andere
echtgenoot gesteld goed, in beginsel jegens de andere echtgenoot (in dit
geval erflater) recht op vergoeding van het nominale bedrag van de verstrekte
gelden. Dit kan anders zijn indien partijen anders zijn overeengekomen of
indien de gelden zijn verstrekt ter voldoening aan een natuurlijke
verbintenis. Dat daarvan in dit geval sprake zou zijn is gesteld noch
gebleken. Tenslotte is het niet uitgesloten dat uit de eisen van redelijkheid
en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval iets anders
voortvloeit. Het moet dan gaan om een uitzonderlijke situatie die wettigt dat
de hoofdregel opzij wordt gezet. Naar het oordeel van de rechtbank is dat
hier niet het geval. Zelfs als aangenomen zou kunnen worden dat Be. de gelden
– mede – ten behoeve van de aanschaf van de
ady Dawn heeft verstrekt, dan nog is het enkele feit dat dit zeiljacht
excessief in waarde is gedaald, geen reden om genoemde hoofdregel op grond
van de redelijkheid en billijkheid terzijde te stellen. Het feit dat Be. en
erflater gedurende een aantal jaren een groot deel van het jaar op dit jacht
woonden, maakt dit niet anders. Be. heeft jegens de nalatenschap dus recht op
vergoeding van ƒ 82.574.

5.15. ƒ 22.400 terzake van verbouwing badkamer (vii)
De executeur-testamentair erkent dat Be. aan erflater ƒ 22.400 heeft geleend
voor de verbouwing van de badkamer in het appartement Rederserf 11. Ook
hiervoor geldt dat zij in beginsel recht heeft op terugbetaling van dit
nominale bedrag. De door de executeur-testamentair genoemde omstandigheden
dat de verbouwing niet heeft geleid tot een rechtevenredige
waardevermeerdering van het appartement en dat de badkamer door gebruik en
tijdsverloop moet worden afgeschreven, zijn omstandigheden die voor rekening
van de eigenaar van het appartement moeten blijven. De rechtbank ziet daarin
geen aanleiding de hoofdregel opzij te zetten. Het feit dat Be. zelf als
gebruikster van de badkamer van de verbouwing heeft geprofiteerd acht de
rechtbank al evenmin van belang, nu niet gesteld of gebleken is dat tussen
Be. en erflater is overeengekomen dat Be. een vergoeding voor dit gebruik zou
dienen te betalen dan wel dat dit zou worden verrekend bij terugbetaling van
de lening.
Hypotheekrente (ii en iii)/gebruiksvergoeding (viii)

5.16. Volgens de executeur-testamentair staat het beneficiaire karakter van
de aanvaarding eraan in de weg dat hypotheekrente verschuldigd is zo lang de
nalatenschap nog niet vereffend is. Hij wil aansluiten bij artikel 128 van de
Faillissementswet. Dit standpunt is niet juist. Hoewel het gezien de
overeenkomsten tussen een beneficiair aanvaarde nalatenschap en een
faillissementsboedel voor de hand ligt aansluiting te zoeken bij de
bepalingen van de Faillissementswet, geldt dat tijdens een faillissement
hypotheekrente nu juist wel verschuldigd blijft. In beginsel geldt dan ook
dat Be. aanspraak kan maken op vergoeding door de boedel aan haar van de door
haar ten behoeve van de boedel betaalde hypotheekrente (te weten over het
niet afgeloste deel van de tweede hypothecaire lening, welk deel immers
geheel voor rekening van de boedel komt nu de helft die Be. aangaat reeds is
afgelost) en van de aan haar als gesubrogeerde in de rechten van de
hypotheeknemer toekomende rente.

5.17. Anderzijds is het redelijk dat Be. aan de boedel een gebruiksvergoeding
betaalt voor het gebruik van de onverdeelde helft van Rederserf 13 dat in de
boedel valt en voor het gebruik van Rederserf 11 in de periode na het
overlijden van erflater tot aan de overdracht aan haar. Het is de rechtbank
niet geheel duidelijk welk bedrag aan gebruiksvergoeding de
executeur-testamentair aan Be. in rekening wil brengen. Met Be. gaat zij
ervan uit dat hij aanspraak maakt op de hem door een makelaar geadviseerde
huurprijs van ƒ 2.700 per appartement per maand. De rechtbank wijst erop dat
een redelijke gebruiksvergoeding niet zonder meer gelijk hoeft te zijn aan
een marktconforme huurprijs. Gezien de omstandigheden van dit geval, ligt het
in principe voor de hand de gebruiksvergoeding gelijk te laten zijn aan de
aan Be. verschuldigde hypotheekrente (zoals Be. reeds eerder aan de
executeur-testamentair heeft voorgesteld), eventueel vermeerderd met de
overige door Be. ten behoeve van de boedel betaalde eigenaarslasten.

5.18. inboedel (ix)
Zowel de executeur-testamentair als Be. gaan er kennelijk van uit dat alle
aan erflater of aan erflater en Be. gezamenlijk toebehorende inboedelgoederen
aan Be. zijn toegescheiden dan wel zich door Be. zijn toegeëigend, Be. zal in
verband hiermee aan de nalatenschap een vergoeding moeten betalen. Partijen
zijn het erover eens dat de inboedel getaxeerd moet worden. Ter comparitie
kan besproken worden hoe vastgesteld zal kunnen worden aan wie de diverse
inboedelgoederen toebehoorden.

5.19. boete Jagersmast (x)
Nu na betwisting door Be. door de executeur-testamentair niet voldoende
onderbouwd is dat in dit opzicht een vordering op de nalatenschap bestaat,
ziet de rechtbank geen aanleiding op dit punt in te gaan.

Beslissing

De rechtbank:
– gelast partijen in persoon, wat A. betreft deugdelijk vertegenwoordigd,
vergezeld van hun raadslieden, met het doel als in rechtsoverweging 3.2
aangegeven, op vrijdag 29 januari 1999 te 10.00 uur te verschijnen voor mr.
Bellaart, die bij deze tot rechter-commissaris wordt benoemd, in één van de
zalen van het Paleis van justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ‘s-Gravenhage;
– sluit op de voet van artikel 337 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis uit;
– houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mrs. Westenberg, Bellaart en Davids